Berekening van de bestaansmiddelen

1. ALGEMENE PRINCIPES

De algemene principes van berekening van de bestaansmiddelen zijn:

 

1. In aanmerking nemen van alle bestaansmiddelen

Het algemeen principe is dat alle bestaansmiddelen, wat hun aard of oorsprong ook moge zijn, in aanmerking worden genomen, behalve diegene die de Koning uitdrukkelijk heeft vrijgesteld.

Er wordt ook rekening gehouden met alle sociale uitkeringen die de aanvrager ontvangt krachtens de Belgische of buitenlandse wetgeving.

De Koning bepaalt tevens op welke wijze rekening wordt gehouden met de inkomsten van de personen die samenwonen met de aanvragerVerborgen veld.

 

2. In aanmerking nemen van bestaansmiddelen waarover men effectief beschikt

Het gaat om de bestaansmiddelen waarover de aanvrager effectief beschikt.

Een loutere schuldvordering wordt dus niet aanzien als bestaansmiddelen.

Vanzelfsprekend kan het OCMW met terugwerkende kracht wel rekening houden met deze inkomsten indien de betrokkene er later de beschikking over krijgt.

 

Voorbeeld

Volgens een vonnis heeft een betrokkene recht op onderhoudsgeld voor zichzelf. Indien dit echter niet betaald wordt aan betrokkene mag met het onderhoudsgeld geen rekening gehouden worden voor de berekening van het leefloon.

 

3. In aanmerking nemen van netto-bestaansmiddelen

Het gaat om netto-bestaansmiddelen, berekend op jaarbasis.

 

4. Beslag

In geval van beslag op de bestaansmiddelen wegens achterstallig onderhoudsgeld, moet voor de berekening van de bestaansmiddelen uitgegaan worden van de situatie voor het beslag (arrest van het Hof van Cassatie - 17/05/1993).

De betrokkene was namelijk in staat de bestaansmiddelen te verwerven, maar ze werden in beslag genomen.

Indien er na deze berekening geen recht is op een leefloon, kan het OCMW, indien nodig, het recht op maatschappelijke dienstverlening in het kader van de organieke wet van 8 juli 1976 onderzoeken. Deze is niet vatbaar voor beslag.

 

5. In aanmerking nemen van bestaansmiddelen op het ogenblik van de aanvraag

De berekening heeft plaats op het ogenblik van de aanvraag, met de bestaansmiddelen geprojecteerd op jaarbasis.

Van zodra er een nieuw element is dat gevolgen heeft op het toegekend bedrag, wordt een nieuwe berekening met een projectie op jaarbasis gemaakt.

De bestaansmiddelen mogen enkel in aanmerking genomen worden gedurende de periode waarop deze middelen betrekking hebben, en dus niet gespreid worden over een langere periode.

Het tijdstip van uitbetalen is dus evenmin van belang

 

Voorbeeld.

  • Een alleenstaande (vorig maandbedrag leefloon: € 892,70)werkt van 1 tot en met 15 september en verdient € 1.000. Indien betrokkene aan de voorwaarden voldoet heeft hij vanaf 16 september recht op leefloon.
  • Indien iemand werkt in de maand september en zijn loon pas ontvangt in de maand oktober, dan moeten deze inkomsten in  aanmerking genomen worden gedurende de maand september (en niet in oktober).

 

Het aanvullend leefloon wordt toegekend ten opzichte van het verschil van de bestaansmiddelen van de betrokkene berekend overeenkomstig de reglementering en het voor zijn categorie voorziene bedrag.

Opmerking

Het feit dat betrokkene beschikt over een aanvullend leefloon betekent dat hij de hoedanigheid van leefloongerechtigde bezit, zodat de voordelen verbonden aan dit statuut kunnen worden toegekend (uitreiking van attesten door het OCMW, bv. voor telefoonkaarten, …)

Daarentegen, wanneer betrokkene werkt in het kader van artikel 60, § 7 van de organieke wet van 8 juli 1976 of in het kader van een activering EN het loon is gelijk aan of hoger dan het bedrag van het leefloon van de categorie waarop hij zou gerechtigd zijn, heeft hij niet meer de hoedanigheid van gerechtigde op een leefloon waardoor hij geen aanspraak kan maken op de voordelen die verbonden zijn aan het statuut van leefloongerechtigde.

Het gaat hier namelijk om een echte arbeidsovereenkomst die betrokkene een loon oplevert.

 

2.1 Specifieke vrijgestelde bestaansmiddelen

Voor de berekening van de bestaansmiddelen wordt geen rekening gehouden met:

 

a) De hulp verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in het kader van de organieke wet van 8 juli 1976

 

b) De gezinsbijslag ten voordele van de (minderjarige en meerderjarige) kinderen:

Voorwaarden:  indien de betrokkene

  • de hoedanigheid van bijslagtrekkende heeft
  • de kinderen opvoedt
  • de kinderen volledig of gedeeltelijk ten laste heeft

Opmerkingen:

  • De gezinsbijslag bestaat uit:
  • het kraamgeld
  • de adoptiepremie
  • de kinderbijslag
  • de verhoogde wezenbijslag
  • de schoolpremie, een eenmalig bedrag begin september
  • toeslagen: leeftijdstoeslagen, sociale toeslagen en toeslag voor gehandicapte kinderen

Het begrip “ten laste” is een feitelijk begrip

Voorbeeld: een meerderjarige jongere kan net als zijn ouders met wie hij samenleeft gerechtigd zijn op een leefloon.

 

De gezinsbijslag die voor de jongere dient zal toegekend worden aan de ouders. Bijgevolg mag daar geen rekening mee gehouden worden voor de berekening van de bestaansmiddelen,

  • noch bij de ouders
  • noch bij de jongere omdat hij de bijslag niet zelf te zijnen gunste ontvangt.

 

Gevolgen:

  • Uit het voorgaande blijkt dat enkel rekening moet gehouden worden met de gezinsbijslag als bestaansmiddelen wanneer de betrokkene de bijslag zelf te zijnen gunste ontvangt (bv. een meerderjarige student die niet meer bij zijn ouders woont en elders is gedomicilieerd).
  • Enkel in de zeldzame gevallen dat een jongere die nog samenwoont met zijn ouders zelf de gezinsbijslag kan ontvangen, kan het OCMW aan de jongere vragen om zijn rechten uit te putten door de gezinsbijslag voor zichzelf aan te vragen (bv. indien de jongere zelf een kind ten laste heeft).
  • Ingeval een kind tijdelijk geplaatst wordt, wordt de ouder die de gezinsbijslag ontvangt beschouwd als zijnde degene die het kind opvoedt. De vrijstelling blijft gedurende deze periode behoudenVerborgen veld.
  • In het geval dat de ouders de gezinsbijslag ontvangen en deze afstaan aan de jongere die elders woont, moet hiermee voor de berekening van het leefloon van de jongere rekening gehouden worden als zijnde een regelmatige gift.Verborgen veld
  • Indien de jongere geplaatst is in een instelling en de kinderbijslag wordt voor 2/3 uitbetaald aan de instelling en 1/3 aan hem, mag enkel met dit 1/3 rekening gehouden worden voor de berekening van het leefloon van de jongere op voorwaarde dat hij de beschikking kan hebben over dit gedeelte kinderbijslag.

    Indien het kindergeld op een geblokkeerde rekening gestort wordt, mag er helemaal geen rekening mee gehouden worden.

 

c) Het onderhoudsgeld of het voorschot op de termijn van het onderhoudsgeld dat iemand ontvangt ten gunste van (minderjarige en meerderjarige) kinderen

  • die ongehuwd zijn
  • die ten laste zijn van betrokkene
  • indien betrokkene de kinderen opvoedt

 Indien een kind tijdelijk geplaatst wordt, wordt de ouder die het onderhoudsgeld ontvangt beschouwd als zijnde degene die het kind opvoedt. De vrijstelling blijft gedurende deze periode behoudenVerborgen veld.

 

d) Het gedeelte van het loon ten laste genomen door de uitgever van PWA-cheques

  • voor een bedrag van € 4,10 per niet-ontwaarde PWA-cheque
  • voor werkzaamheden verricht in het kader van een PWA-overeenkomst
  • overeenkomstig de ter zake geldende reglementering

Ook de eventueel eruit voortvloeiende vergoedingen zijn vrijgesteld.

De SPI-vrijstelling mag niet worden toegepast op het gedeelte van het loon dat aan de PWA-werknemer wordt uitbetaald en dat boven het bedrag van € 4,10 ligt (zijnde het vrijgestelde gedeelte).

 

e) De productiviteits- en aanmoedigingspremies die door de bevoegde overheden voorzien en betaald worden voor de individuele beroepsopleidingen in ondernemingen (IBO)

gedurende maximum 6 maanden

Tijdens een IBO bestaat het loon uit 2 componenten:

  • een opleidingsuitkering die betaald wordt door de RVAVerborgen veld
  • een productiviteitspremie ten laste van de werkgever

De opleidingsuitkering is GEEN premie en moet bijgevolg wel in aanmerking worden genomen voor de berekening van de bestaansmiddelen.

Indien aan de voorwaarden voldaan is, kan de spi-vrijstelling hierop toegepast worden (zie later).

De productiviteitspremie is wel vrijgesteld.

 

f) De gewestelijke premies die worden toegekend aan betrokkene voor

  • verhuizing
  • installatie
  • huur

 

g) het bedrag van de studietoelagen die de specifieke studiekosten dekken, door de Gemeenschappen toegekend aan de betrokkene:

  • te zijnen gunste (dus voor zichzelf)
  • ten gunste van de kinderen die hij ten laste heeft

Opmerkingen:

  • Omdat de Koning tot op heden nog niet heeft bepaald wat onder specifieke studiekosten moet verstaan worden, wordt het volledig bedrag van de studietoelagen vrijgesteld voor de berekening van de bestaansmiddelen.
  • Het moet niet gaan om eigen kinderen. Het volstaat dat het ten gunste is van kinderen die de betrokken feitelijk economisch ten laste heeft (bv. grootmoeder voor een kleinkind, een meerderjarige jongere voor zijn/haar minderjarige partner).

    Indien een jongere studies met voltijds leerplan volgt en een stage volgt in het buitenland, dan is de toegekende Erasmusbeurs ook vrijgesteld bij de berekening van de bestaansmiddelen. 

         De vrijstelling geldt hiernaast ook voor andere beurzen die toegekend worden op voorwaarde dat deze aan de studies gerelateerd zijn.

         De vrijstelling geldt dus niet voor de beurzen die het verblijf en het levensonderhoud van de student dekken. Zo wordt de vergoeding die uitsluitend dient als maaltijdvergoeding niet vrijgesteld.

         Zodra het gaat om een ‘gemengde’ beurs moet het OCMW de opsplitsing maken tussen het gedeelte dat aan de studies verbonden is, en het deel dat dient om het verblijf te bekostigen.

  • Het moet gaan om een door de Gemeenschappen toegekende studiebeurs.

         Dit betekent dat een door het buitenland toegekende beurs (bv. vanuit Nederland, Luxemburg) niet is vrijgesteld en voor de berekening van het leefloon in aanmerking moet genomen worden.

 

h) De toelagen, uitkeringen en bijslagen van de Gemeenschappen voor het onderbrengen van jongeren in een opvanggezin

Het gaat bv. om jongeren geplaatst ofwel door de jeugdbescherming, ofwel door de jeugd(straf)rechter en waarvoor de gezinnen worden vergoed.

 

i) De presentiegelden die de betrokkene ontvangt als lid van

  • de provincieraad
  • de gemeenteraad
  • de raad voor maatschappelijk welzijn

 

j) De niet-regelmatige giften van

  • om het even welke instelling
  • personen die niet met betrokkene samenwonen EN die niet onderhoudsplichtig zijn ten opzichte van betrokkene

 

Deze voorwaarden moeten samen vervuld zijn.

         Voorbeelden

  • Het bedrag dat iemand elke maand van een vriend krijgt is dus niet vrijgesteld omwille van het regelmatige karakter.
  • Het bedrag dat ouders eenmalig aan hun kind hebben gegeven is niet vrijgesteld omdat de ouders onderhoudsplichtig zijn ten opzichte van hun kind
  • De toelage die maximaal 1 maal per academiejaar door studentenvoorzieningen van hogescholen en universiteiten wordt uitbetaald, en die elk academiejaar kan worden toegekend op basis van een nieuwe aanvraag en beslissing, wordt beschouwd als een niet-regelmatige gift en is dus vrijgesteld bij de berekening van de bestaansmiddelen.

       De vrijstelling geldt ook indien de eenmalige toelage in verschillende schijven wordt toegekend.

 

k) De frontstrepen- en gevangenschapsrenten

 

l) De renten verbonden aan een nationale orde op grond van een oorlogsfeit.

 

m) De vergoedingen van de Gemeenschappen van de kosten voor de niet-medische hulp en dienstverlening door derden aan een persoon met een verminderd vermogen tot zelfzorg

 

De door de niet-beroepsmatige zorgverlener ontvangen vergoeding van de zorgbehoevende in het kader van de verstrekte niet-medische hulp en dienstverlening.

 

n) De vergoedingen die door de Duitse overheid bij wijze van schadeloosstelling worden betaald voor de gevangenhouding tijdens de tweede wereldoorlog.

 

o) Het terugbetaalbaar belastingkrediet.

Het belastingkrediet is een belastingvrije som die per belastingplichtige wordt vastgesteld.

Een zelfde bedrag wordt terugbetaald aan personen die omwille van te lage inkomsten geen belastingen betalen.

Het is dit bedrag dat vrijgesteld is bij de berekening van de bestaansmiddelen.

Het gaat hier dus niet om een teruggave van te veel betaalde belastingen.

Deze moeten namelijk wel in aanmerking genomen worden voor de berekening van het leefloon als zijnde een roerend kapitaal (zie later)Verborgen veld

 

p) De forfaitaire vergoeding die betrokkene ontvangt als voogd over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen

Op voorwaarde dat de voogdij beperkt blijft tot maximaal het equivalent van 2 voltijdse voogdijschappen per jaar.

 

q) De vergoedingen die betrokkene ontvangt als hij vrijwilligerswerk doet.

Op voorwaarde dat deze vergoeding het dagmaximum van € 34,03 (€ 34,71) en het jaarmaximum van € 1.361,23 (€ 1.388,40) niet overschrijdt (bedragen voor 2018 en (2019). Indien één van deze voorwaarden niet vervuld is, worden alle inkomsten in aanmerking genomen voor de berekening van het leefloon.

 

r) De maandelijkse vergoeding die de stagegever (werkgever) betaalt aan de jonge werkzoekende stagiair in het kader van de instapstages inzake de werkloosheidVerborgen veld.

De vrijstelling geldt enkel op het deel dat door de werkgever betaald wordt.

Met de stage-uitkeringen ten last van de RVA moet dus wel rekening gehouden worden bij de berekening van het leefloon.

Indien aan de voorwaarden voldaan is, kan de socio-professionele vrijstelling  hierop toegepast worden (zie later).

Naar analogie wordt geen rekening gehouden met de stagevergoeding die door de werkgever wordt uitbetaald in het kader van de stage eerste werkervaring (stage First) die gevolgd wordt in navolging van de maatregel die door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is genomen.

Dit houdt eveneens in dat met de stage-uitkeringen die door Actiris in dit kader betaald worden wel rekening moet gehouden worden bij de berekening van het leefloon.

s) Asbestfonds

De tegemoetkoming van het Asbestfonds is vrijgesteld bij de berekening van het leefloon als deze vergoeding wordt toegekend aan betrokkene, zijn partner, de samenwonende of persoon ten laste van betrokkeneVerborgen veld

2.2 Bedrag van de forfaitaire vrijstelling per categorie

Een forfaitaire vrijstelling is van toepassing op het bedrag van de bestaansmiddelen die in aanmerking moeten worden genomen met het oog op de toekenning van een aanvullend leefloon[9].

  • Deze vrijstelling wordt pas toegepast nadat alle andere in aanmerking te nemen bestaansmiddelen berekend zijn.
  • Op voorwaarde dat de bestaansmiddelen van de betrokkene lager zijn dan het bedrag van de categorie van het leefloon waarop hij gerechtigd is

Voorbeeld:

Een alleenstaande beschikt jaarlijks over € 10.750 bestaansmiddelen. Betrokkene kan niet genieten van de vrijstelling omdat zijn inkomen hoger is dan € 10.712,38 zijnde het bedrag waarop hij aanspraak zou kunnen maken (bedrag geldend vanaf 1/9/2017).

 

Het bedrag van de vrijstelling is bepaald per categorie en bedraagt :

  • € 155 per jaar voor een samenwonende persoon
  • € 250 per jaar voor een alleenstaande persoon en een dakloze waarmee een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI) is afgesloten
  • € 310 per jaar voor een persoon met een gezin te zijnen laste.

 

Deze forfaitaire vrijstelling mag niet toegepast worden op het gedeelte van het loon dat aan de PWA-werknemer wordt uitbetaald en dat boven het bedrag van € 4,10 ligt (zijnde het vrijgestelde gedeelte).

 

Voorbeeld:

Een alleenstaande persoon geniet een sociale uitkering van € 500 per maand.

                 Categorie alleenstaande: € 10.712,38 (bedrag vanaf 1/09/2017)

                Berekening: Bestaansmiddelen: 500 x 12 = € 6.000 op jaarbasis 10.712,38 – (6.000-250) = € 4.962,38

 

3.1. Algemeen

  1. Wanneer de aanvrager een beroepsactiviteit verricht, wordt rekening gehouden met het netto-beroepsinkomenVerborgen veld.
  2. Er mag geen rekening gehouden worden met de inkomsten uit een beroepsactiviteit die betrokkene verdiend heeft voor de aanvraag.
  3. Wat betreft een leefloongerechtigde die begint te werken is het principe dat de tewerkstelling beschouwd wordt als regelmatig, dus niet als eenmalig.
  4. Gelet op het voorgaande worden de inkomsten van de leefloongerechtigde die begint te werken in aanmerking genomen en dit met inachtname van de datum van de start van de tewerkstelling.
  5. Indien het gaat om iemand die een zelfstandige activiteit uitoefent moeten de netto-inkomsten berekend worden na aftrek van zijn beroepsonkosten en sociale bijdragen.
  6. Het inkomen dat voorkomt uit een bedrijfsafstand wordt niet beschouwd als beroepsinkomenVerborgen veld. Hiermee wordt rekening gehouden als een afstand van goederenVerborgen veld.
  7. Als de aanvrager de beroepsarbeid als zelfstandige van zijn overleden echtgenoot verderzet, wordt het inkomen dat de overledene heeft verworven in de loop van het referentiejaar dat voor de vaststelling van het inkomen in aanmerking wordt genomen, geacht door de aanvrager verworven te zijnVerborgen veld.

 

3.2. Inkomsten uit arbeid

3.2.1.Onderscheid bij de berekening tussen inkomsten uit ononderbroken arbeid en inkomsten uit regelmatige onderbroken arbeid

Voor de berekening van de inkomsten uit arbeid moet er een duidelijk onderscheid gemaakt worden in de wijze van berekening tussen beide stelsels.

Dit is van belang voor de berekening van de beroepsinkomsten, meer bepaald het in aanmerking nemen van de periode waarop de inkomsten betrekking hebben.

Dit onderscheid in berekeningswijze wordt zowel toegepast bij arbeid

  • verricht door een werknemer
  • verricht door een student
  • verricht door degene die een zelfstandige activiteit uitoefent

 

a) Inkomsten uit ononderbroken arbeid

De inkomsten worden in aanmerking genomen gedurende de periode die gedekt wordt door de periode waarin arbeid verricht wordt.

In deze situatie is er sprake van een ononderbroken periode van tewerkstelling.

Voorbeeld:

A werkt van 1 april tot en met 18 oktober met een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur. Hij ontvangt in oktober nog een loon van € 1.200 voor de periode van 1 tot en met 18 oktober, vanaf 19 oktober beschikt hij niet meer over inkomsten.

Op 19 oktober vraagt hij een leefloon aan

       - De inkomsten van A mogen niet in aanmerking genomen worden gedurende de periode van 19 oktober tot en met 31 oktober

       - A heeft in principe recht op een volledig leefloon vanaf 19 oktober

 

b) inkomsten uit regematige, onderbroken arbeid

Onder deze vorm van tewerkstelling wordt elke vorm van arbeid verstaan die verricht wordt als er sprake is van een onderbreking tussen de gewerkte periodes.

Het gaat hier onder andere om volgende vormen:

  1. De betrokkene werkt op onregelmatige tijdstippen/dagen (klassieke interimarbeid)
  2. De betrokkene werkt op regelmatige wijze elk weekend
  3. De betrokkene werkt afwisselend een week wel en een week niet

Bovenstaande lijst is niet limitatief.

Er wordt aanvaard dat een onderbreking van twee maanden arbeid nog steeds geldt als arbeid die valt onder dit stelsel.

De inkomsten worden in aanmerking genomen gedurende de hele periode die gedekt wordt door deze periode van werken met inbegrip van de niet gewerkte dagen.

Het feit of betrokkene al dan niet van werkgever verandert gedurende deze periode is hierbij van geen belang.

De berekeningswijze gebeurt op dezelfde wijze als bij andere beroepsinkomsten.

Bovendien moet indien aan de voorwaarden voldaan is toepassing gemaakt worden van de spi-vrijstelling.

Voorbeelden

1) D, leefloongerechtigde, werkt vanaf 1 juni regelmatig via interim-arbeid Gedurende de maanden juni en juli werkt hij op volgende dagen:

1 tot en met 4 juni

9 juni

27 en 28 juni

10 juli

14 tot en met 19 juli

En daarna opnieuw 11 augustus

Wat betreft de berekening van het leefloon voor de maanden juni en juli moeten de inkomsten van D in aanmerking genomen worden van

  • 1 tot en met 30 juni & 1 tot en met 31 juli
  • Wat betreft de berekening van het leefloon voor de maand augustus en de volgende maanden moeten de inkomsten verder op maandbasis in aanmerking genomen worden, omdat betrokkene vervolgens verder blijft werken.

 

2) E, leefloongerechtigde, werkt vanaf 21 september regelmatig via interim-arbeid. Gedurende de maanden september en oktober werkt hij op volgende dagen:

21 september

5 en 6 oktober

17 tot en met 21 oktober

En daarna opnieuw 4 november

  • Wat betreft de berekening van het leefloon voor de maanden september en oktober moeten de inkomsten van E in aanmerking genomen worden van 21 tot en met 30 september & 1 tot en met 31 oktober
  • E heeft in principe recht op een leefloon van 1 tot en met 20 september.
  • Wat betreft de berekening van het leefloon voor de maand november en de volgende maand(en) moeten de inkomsten verder op maandbasis in aanmerking genomen worden omdat betrokkene vervolgens verder blijft werken.

 

3) F, leefloongerechtigde, start een tewerkstelling via het systeem 1 week werken – 1 week thuis vanaf 6 maart en blijft verder werken in dit systeem.

  • Wat betreft de berekening van het leefloon voor de maand maart moeten de inkomsten van F in aanmerking genomen worden van 6 tot en met 30 maart.
  • Wat betreft de berekening van het leefloon voor de volgende maanden moeten de inkomsten van F op maandbasis (volledige maand) in aanmerking genomen worden.
  • F heeft in principe recht op een leefloon van 1 tot en met 5 maart

 

4) G, leefloongerechtigde student, start met een studentenjob op 10 juni. Hij gaat vanaf die dag elke zaterdag werken en blijft dit de rest van het jaar verder doen.

  • Wat betreft de berekening van het leefloon voor de maand juni moeten de inkomsten van G in aanmerking genomen worden van 10 tot en met 30 juni.
  • Wat betreft de berekening van het leefloon voor de volgende maanden moeten de inkomsten van G op maandbasis (volledige maand) in aanmerking genomen worden.
  • G heeft in principe recht op een leefloon van 1 tot en met 9 juni.

 

c) SPI-vrijstelling

De eerste vereiste om de spi-vrijstelling toe te passen is natuurlijk dat betrokkene aan de wettelijke voorwaarden voldoet om hiervan te kunnen genieten.

Daarnaast moet nagegaan worden of de vrijstelling kan op basis van de verworven inkomsten. Deze moeten in aanmerking genomen worden gedurende de periode waarop ze betrekking hebben waarbij een omzetting naar maandbasis moet gebeuren.

Voor een gedetailleerde berekeningswijze, zie het hoofdstuk over de vrijstelling.

Voorbeelden

1) H, leefloongerechtigde alleenstaande, start op 21 april een tewerkstelling met reguliere arbeid.

Hij verdient in april € 400.

Berekeningswijze: 400 x (30/10) = 1.200 (inkomsten op maandbasis)

1.200 – 244,03 = 955,97

955,97 is meer dan het maandbedrag 892,70

Conclusie: geen spi-vrijstelling

 

2) J, leefloongerechtigde alleenstaande, start op 21 april een tewerkstelling via interim-arbeid en werkt ook nog op 24 en 25 april en 28 april (en vervolgens ook de volgende maanden via dit systeem). Hij verdient gedurende de in aanmerking te nemen periode (21 tot en met 30 april) € 300

Berekeningswijze: 300 x (30/10) = 900

900– 244,03 = 655,97

655,97 is minder dan het maandbedrag 892,70

Conclusie: toepassing spi-vrijstelling

Nog enkele uitgewerkte voorbeelden:

     Voorbeeld 1

Een alleenstaande leefloongerechtigde start een proces van tewerkstelling via interim-arbeid op 1 juni.

Overzicht van de gewerkte dagen en het netto-loon in juni:

  1. 1 juni € 80
  2. 8 en 9 juni € 290
  3. 17 juni € 120
  4. 23 tot en met 26 juni € 560
  5. Vervolgens werkt betrokkene opnieuw 6 juli

Berekeningswijze

Totaal inkomsten = € 1.050

Spi-vrijstelling: 1.050 – 244,03 = 805,97

Inkomsten op jaarbasis: 805,97 x 12 = 9.671,64

Berekening leefloon op jaarbasis: 10.712,38 – (9.671,64 – 250) = € 1.290,74

Berekening leefloon op maandbasis: 1.290,74 : 12 = € 107,56

    Voorbeeld 2

Een alleenstaande leefloongerechtigde start een proces van tewerkstelling via interim-arbeid op 17 september.

Overzicht van de gewerkte dagen en het netto-loon in september en oktober:

  1. 17 tot 22 september € 250
  2. 25 en 26 september € 120
  3. 28 september € 90
  4. 6 en 7 oktober € 270
  5. 11 oktober € 110
  6. 19 tot 23 oktober € 640
  7. 27 tot 29 oktober € 190

Berekeningswijze

1) September:

 - periode van 1 tot en met 16 september: recht op leefloon 892,70 x 16/30 = € 476,11

- periode van 17 tot en met 30 september : totaal inkomsten = € 460

   Inkomsten op maandbasis: 460 : 14 dagen x 30 = € 985,71

   SPI-vrijstelling: 985,71 – 244,03 = € 741,68

   Inkomsten op jaarbasis: 741,68 x 12 = € 8.900,16

   Berekening leefloon op jaarbasis 10.712,38 – (8.900,16 – 250) = € 2.062,22

   Berekening leefloon op maandbasis: 2.062,22 : 12 = € 171,85

   Berekening leefloon voor de periode van 17 tot en met 30 september:

171,85 : 30 dagen x 14 = € 80,20

2) Oktober:

Periode van 1 tot en met 31 oktober : totaal inkomsten op maandbasis = € 1.210

Er is geen toepassing mogelijk van SPI-vrijstelling

Geen recht vanaf 1 oktober wegens te hoge inkomsten

3.3 Maaltijdcheques

De waarde van een maaltijdcheque bestaat uit 2 delen, met name een werknemersbijdrage en een werkgeversbijdrage.

Het gedeelte ‘werkgeversbijdrage’ moet beschouwd worden als een beroepsinkomen waarmee rekening moet gehouden worden.

3.4 Vakantiegeld

De algemene regel is ook hier van toepassing: het vakantiegeld moet in aanmerking worden genomen gedurende de periode waarop het vakantiegeld betrekking heeft, en dus niet op het moment van uitbetaling.

Door het wegvallen van het onderscheid tussen enkel en dubbel vakantiegeld bij de uitbetaling wordt, ter vereenvoudiging, het vakantiegeld volledig beschouwd als enkel vakantiegeld.

Dit betekent dat het vakantiegeld in principe betrekking heeft op een periode van het jaar waarin het vakantiegeld wordt uitbetaald: er moet pro rata het aantal dagen mee rekening gehouden worden op het moment dat betrokkene vakantie neemt gedurende het kalenderjaar dat het vakantiegeld wordt uitbetaald. Vanaf het volgende jaar wordt het resterend bedrag in aanmerking genomen als een roerend kapitaal.

Het vakantiegeld wordt aldus gedeeld door het aantal verlofdagen die betrokkene heeft om het in aanmerking te nemen bedrag per verlofdag te kennen.

Bijvoorbeeld. betrokkene ontvangt € 1.000 vakantiegeld en heeft recht op 20 verlofdagen. Dit betekent dat er voor de berekening op maandbasis moet rekening gehouden worden met een inkomen van € 50 per genomen verlofdag gedurende deze maand.

Voorbeeld

Een persoon krijgt bij uitdiensttreding € 1.500 vakantiegeld.

De persoon die geniet van een werkloosheidsuitkering krijgt in een bepaalde maand minder werkloosheidsuitkering omdat hij in die maand (verplicht) verlof neemt.

Betrokkene zal geen aanspraak kunnen maken op een leefloon voor die maand omdat rekening moet gehouden worden met het vakantiegeld.

Belangrijk !

Indien betrokkene leefloongerechtigde is en bijgevolg geen vakantie neemt, moet met het vakantiegeld rekening gehouden worden als zijnde een roerend kapitaal waarop de aldus voorzien berekeningswijze moet toegepast worden.

Het OCMW mag namelijk betrokkene niet verplichten om vakantie te nemen gedurende de periode dat hij gerechtigd is op een leefloon.

Indien betrokkene vakantie neemt gedurende een periode dat hij niet leefloongerechtigd is, mag er geen rekening gehouden worden met het vakantiegeld.

Dit moet namelijk in aanmerking genomen worden gedurende de periode dat betrokkene vakantie neemt.

 

3.5 Eindejaarstoelage

De eindejaarstoelage moet voor de berekening van het leefloon in aanmerking worden genomen als zijnde een roerend kapitaal.Verborgen veld

 

3.6 Opzegvergoeding

De algemene regel is ook hier van toepassing: de opzegvergoeding moet in aanmerking worden genomen gedurende de periode waarop de opzegvergoeding betrekking heeft.

    Voorbeeld

    Betrokkene wordt met ingang van 1 september ontslagen. Hij ontvangt een opzegvergoeding van € 3.600 voor de volgende 3 maanden (september, oktober en november).

    Op 20 oktober doet hij een aanvraag leefloon: hij heeft geen recht omdat hij over voldoende inkomsten beschikt (€ 1.200 per maand). In principe heeft betrokkene dus recht op een leefloon vanaf 1 december.

 

3.7 Inkomsten uit vakantiewerk

Algemene regel: de beroepsinkomsten van een student worden op dezelfde manier berekend als voor eender welke andere rechthebbende in dezelfde situatie.

De inkomsten uit het eenmalig vakantiewerk moeten in aanmerking worden genomen gedurende de periode waarop deze inkomsten  betrekking hebben.

Deze inkomsten mogen dus niet gespreid worden over een langere periode tenzij de student meermaals regelmatig vakantiewerk verricht..

Voorbeeld 1

    Een student doet eenmalig vakantiewerk gedurende de maand juli en verdient deze maand € 2.000

    Berekening leefloon voor de maanden juli en augustus:

  •  Geen recht op leefloon gedurende de maand juli
  •  Recht op een leefloon gedurende de maand augustus

 

Voorbeeld 2

Een student doet eenmalig vakantiewerk van 16 juli tot en met 15 augustus en verdient gedurende deze periode € 1.500. (€ 750 in juli en € 750 in augustus).

Berekening leefloon voor de maanden juli en augustus:

  • recht leefloon tot en met 15 juli
  • stopzetting leefloon van 16 juli tot en met 15 augustus
  • recht leefloon vanaf 16 augustus

 

Voorbeeld 3

Een student doet vakantiewerk gedurende de maand juli op volgende dagen,:

  1.  1 tot en met 3 juli € 170
  2.  10 juli € 80
  3. 15 tot en met 18 juli € 260
  4.  27 en 28 juli € 150

Het totaal van de inkomsten (€ 660) moet in aanmerking genomen worden gedurende de maand juli (wegens vermoeden van tewerkstellingsproces).

De spi-vrijstelling wordt toegepast op de inkomsten gedurende de hele maand juli.

 

Voorbeeld 4

Een student werkt gedurende het hele jaar op zaterdag en verdient hiermee maandelijks € 360 (4 x € 90)

De inkomsten (€ 360) moeten als maandelijkse bestaansmiddelen in aanmerking genomen worden.

De spi-vrijstelling wordt toegepast op deze maandelijkse inkomsten.

3.8 Vergoeding als onthaalouder

Deze vergoeding is niet expliciet vrijgesteld, en moet dus als bestaansmiddel in aanmerking worden genomen bij de berekening van het leefloon.

Toch wordt algemeen aanvaard dat een deel van de vergoeding uitdrukkelijk dient als compensatie voor de gemaakte kosten (maaltijden, speelgoed, …) en dus vrijgesteld is.

Op basis van het sociaal onderzoek bepaalt het OCMW welk gedeelte van de vergoeding kan aanzien worden als onkostenvergoeding en welk gedeelte moet aanzien worden als in aanmerking te nemen bestaansmiddelen.

Zelfstandige onthaalouders volgen voor de berekening van de bestaansmiddelen het statuut van zelfstandigen.

 

3.9 Schadeloosstelling in geval van een ongeval

Indien iemand een vergoeding ontvangt ingevolge een ongeval mag niet de hele vergoeding in aanmerking genomen worden voor de berekening van het leefloon. Er mag enkel rekening gehouden worden met het in het vonnis vermelde gedeelte van de vergoeding dat overeenkomt met het inkomensverlies van betrokkene.

Indien de betrokkene gedurende de periode van inkomensverlies recht had op een leefloon, wordt dit teruggevorderd tot beloop van de vergoeding die overeenkomt met het inkomensverlies omdat hij de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode van het leefloon.Indien de betrokkene gedurende de periode van inkomensverlies geen recht had op een leefloon wordt de vergoeding die overeenkomt met het inkomensverlies in aanmerking genomen als zijnde een roerend kapitaal.

Met de andere vergoedingen mag geen rekening gehouden worden als inkomsten: materiële schade (medische kosten en andere), morele schadevergoeding, ….

Deze vergoedingen compenseren enkel een kapitaalsverlies van betrokkene en kunnen bijgevolg niet als inkomsten beschouwd worden.

 

3.10 Vervangingsinkomen

Indien de betrokkene geniet van een vervangingsinkomen (bv. ziektevergoeding, werkloosheidsuitkering) wordt voor de berekening van het leefloon rekening gehouden met het maandelijks bedrag dat betrokkene werkelijk ontvangt.

Het gaat hier om het netto-inkomen dat betrokkene ontvangt, dus na aftrek van de mogelijke inhouding op basis van bedrijfsvoorheffing.

Indien betrokkene geniet van het volledig genot van deze vergoeding (volledige betaling in het 6-dagenstelsel) kan er voor de berekening van het leefloon als volgt rekening gehouden worden met deze inkomsten:

  • Op maandbasis : dagbedrag x 26
  • Op jaarbasis : dagbedrag x 312 (of 313).

3.11 Verplaatsingskosten en kilometervergoeding

De tegemoetkoming die de betrokkene ontvangt voor de verplaatsingskosten en kilometervergoeding in het kader van een tewerkstelling en/of opleiding worden niet als inkomsten beschouwd, maar zijn te beschouwen als een vergoeding voor de gemaakte kosten waardoor deze bij de berekening van het leefloon niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de bestaansmiddelen.

De vrijstelling geldt zowel voor de werkelijk gemaakte kosten als voor de forfaitaire vergoeding die de betrokkene ontvangt.

 

4. DE SOCIO-PROFESSIONELE VRIJSTELLING

Dit hoofdstuk moet worden gelezen in samenhang met het hoofdstuk beroepsinkomen.

4.1. Vrijstelling van de inkomsten verworven in het kader van de socio-professionele integratie ( spi-vrijstelling)Verborgen veld ( gewone vrijstelling)

Teneinde de sociaal-professionele integratie van de leefloongerechtigde die begint te werken of die een beroepsopleiding aanvat of voortzet te bevorderen, wordt er bij de berekening van de bestaansmiddelen geen rekening gehouden met een forfaitair maandelijks bedrag dat betrokkene verdient.

 4.1.1. Voorwaarden om van de spi-vrijstelling te genieten

De spi-vrijstelling geldt indien :

Hij als leefloongerechtigde begint te werken

  • De vrijstelling kan dus niet toegepast worden indien de betrokkene al aan het werk was en daarna gerechtigd wordt op een leefloon.

 

  • De vrijstelling kan eveneens toegepast worden indien betrokkene als leefloongerechtigde

              Een zelfstandige activiteit aanvat

              Een activiteit in het kader van interim-arbeid begint uit te Voeren

              Start met een tewerkstelling in het kader van een beroepsinlevingsovereenkomst (BIO)

              Een overeenkomst alternerende opleiding (vroegere leerovereenkomst) uitvoert

              Een startbonus ontvangt van de RVA tijdens de periode van deeltijdse leerplicht, onderwijs met beperkt leerplan of een voor de vervulling van de leerplicht erkende vorming aanvat.

 

Hij een beroepsopleiding aanvat of verderzet

  • De vrijstelling kan daarentegen wel toegepast worden indien de betrokkene al een beroepsopleiding volgde en daarna gerechtigde wordt op een leefloon.
  • De vrijstelling moet ook toegepast worden op de opleidingspremie die betrokkene ontvangt bij het volgen van een opleiding bij de VDAB, FOREM en ACTIRIS.
  • De vrijstelling moet ook toegepast worden op de opleidingsuitkering die wordt uitbetaald door de RVA in het kader van een IBO-opleiding (aangezien deze uitkering in aanmerking moet genomen worden voor de berekening van het leefloon).
  • De vrijstelling moet eveneens toegepast worden op de stage-uitkering die wordt uitbetaald door de RVA in het kader van een instapstage (aangezien deze uitkering in aanmerking moet genomen worden voor de berekening van het leefloon).

De vrijstelling geldt eveneens voor de echtgenoot of de levenspartner van de gerechtigde op een leefloon categorie 3 mits deze aan de voorwaarden voldoet.

Om te bepalen welke beroepsinkomsten in aanmerking moeten genomen worden, en op welke wijze dit dient te gebeuren, zie punt 5.3

4.1.2. Bedrag van de spi-vrijstelling

 

 

Basisbedrag op maandbasis

Bedrag op maandbasis op 01/06/2016

Bedrag op jaarbasis op 01/06/2016

Gewone vrijstelling

€ 177,76

€ 239,25

€ 2.870,97

 

 

Basisbedrag op maandbasis

Bedrag op maandbasis op 01/06/2017

Bedrag op jaarbasis op 01/06/2017

Gewone vrijstelling

€ 177,76

€ 244,03

€ 2.928,35

4.1.3. Hoe moet die vrijstelling worden opgenomen in de berekening van de bestaansmiddelen

4.1.3.1. De inkomsten uit arbeid of opleiding hebben betrekking op een volledige maand

De maandelijkse vrijstelling wordt afgetrokken van de maandelijkse netto-inkomsten van betrokkene

 - Zie hier de stappen die u moet volgen

a) Bepalen van het maandelijks bedrag dat de betrokkene geniet

  1. Maandelijks verdiend bedrag – maandelijkse spi-vrijstelling = maandelijks in aanmerking te nemen bedrag

Indien het maandelijks in aanmerking te nemen bedrag hoger is dan het maandbedrag van de categorie waarop betrokkene gerechtigd is, is er geen recht op een aanvullend leefloon en zal de spi-vrijstelling niet toegepast worden.

Indien het maandelijks in aanmerking te nemen bedrag lager is dan het maandbedrag van de categorie waarop betrokkene gerechtigd is, zie stap 2.

b) Omzetten naar jaarbasis

          1. 2.Maandelijks in aanmerking te nemen bedrag x 12 = jaarlijks in aanmerking te nemen bedrag

 

          1. 3.Jaarlijks bedrag van de categorie – (het in aanmerking te nemen jaarlijks bedrag – vrijstelling per categorie) = jaarlijks bedrag aanvullend leefloon

 

          1. 4. jaarlijks bedrag aanvullend leefloon = maandelijks bedrag aanvullend leefloon

 

Voorbeeld

X is alleenstaande en werkt in oktober. Zij ontvangt € 800

  1. € 800 – € 244,03 = € 555,97
  2. € 555,97 x 12 = € 6.671,64
  3. € 10.712,38 – (€ 6.671,64 – 250) = € 4.290,74
  4. € 4.290,74 : 12 = € 357,56

 

4.1.3.2. De inkomsten uit arbeid of opleiding hebben betrekking op een gedeelte van de maand

Zie hier de stappen die u moet volgen:

a) Bepalen van het maandelijks bedrag dat de betrokkene geniet

 

  1. (maandelijks verdiend bedrag gedeeld door het aantal dagen gewerkt tijdens de maand) X aantal dagen in de maand = maandelijks bedrag

 

      2. Maandelijks verdiend bedrag – maandelijkse spi-vrijstelling €244,03 = maandelijks in aanmerking te nemen bedrag

Indien het in aanmerking te nemen maandelijks bedrag hoger is dan het maandelijks bedrag van de categorie, dan zal er geen maandelijks aanvullend leefloon toegekend worden en zal de spi-vrijstelling niet worden toegepast.

Indien het in aanmerking te nemen maandelijks bedrag lager is dan het maandelijks bedrag van de categorie, dan volgt de 3de stap .

b) Omzetten naar een jaarlijkse basis

 

3. Maandelijks in aanmerking te nemen bedrag x 12 = jaarlijks in aanmerking te nemen bedrag

 

 

4.Jaarlijks bedrag van de categorie – (het in aanmerking te nemen jaarlijks bedrag – vrijstelling per categorie) = jaarlijks bedrag aanvullend leefloon

 

 

5. jaarlijks bedrag aanvullend leefloon = maandelijks bedrag aanvullend leefloon

 

 

 

6.  (Maandelijks bedrag aanvullend leefloon gedeeld door het aantal dagen in de betrokken maand) X aantal gewerkte dagen tijdens de maand = bedrag aanvullend leefloon gedurende de gewerkte periode

 

Bijvoorbeeld

Meneer is alleenstaande en heeft gewerkt van 17 tot en met 30 september en ontvangt 460€

Voor de periode van 1 tot en met 16 september: leefloon: 892,70 x 16/30 = € 476,11

Voor de periode van 17 tot en met 30 september : heeft hij recht op een aanvullend leefloon ?

(460€/14)×30=€ 985,71

€ 985,71- € 244,03 =€ 741,68

€ 741,68 ×12=€ 8.900,16

€ 10.712,38-(€ 8.900,16-250)=€ 2.062,22

(€ 2.062,22)/12=€ 171,85

(€ 171,85)/30 X 14=€ 80,20

Voor de maand september zal meneer een leefloon van € 476,11 + 80,20 = € 556,31 ontvangen.

 

4.1.3.3. De betrokkene wijzigt van categorie gedurende de maand waarin hij tewerk gesteld is

De maandelijkse vrijstelling wordt afgetrokken van de maandelijkse netto-inkomsten van betrokkene, rekening houdende met de categorie waartoe hij behoort.

Concreet betekent dit dat er twee berekeningen moeten gemaakt worden om het leefloon van één maand te bepalen.

Voorbeeld

Meneer voedt een minderjarig kind op in het stelsel van co-ouderschap. Hij heeft de ene helft van de maand recht op een leefloon categorie 3 (persoon met gezinslast) en de andere helft van de maand recht op een leefloon categorie 2 (alleenstaande).

Hij werkt in maart en heeft een loon van € 900

Berekening

900 – 244,03 = € 655,97 in aanmerking te nemen bestaansmiddelen

655,97 x 12 = 7.871,64 in aanmerking te nemen bestaansmiddelen op jaarbasis

Categorie 3

Jaarbasis: 14.283,19 – (7.871,64 – 310) = € 6.721,55

Maandbasis: 6.721,55 : 12 = € 560,13

 

Categorie 2

Jaarbasis: 10.712,38 – (7.871,64 – 250) = € 3.090,74

Maandbasis: 3.090,74 : 12 = € 257,56

Leefloon op maandbasis:

½ maandbedrag categorie 3 + ½ maandbedrag categorie 2

(560,13 : 2) + (257,56 : 2) = € 408,85

 

4.1.3.4. Betrokkenen hebben recht op een leefloon categorie 3 en hebben beiden inkomsten uit arbeid of opleiding

In dit geval wordt de maandelijkse vrijstelling individueel afgetrokken van de maandelijkse netto-inkomsten die elke betrokkene ontvangen heeft.

Voorbeeld

X ontvangt een maandinkomen van € 800

Y ontvangt een maandinkomen van € 500

Berekening X: 800 – 244,03= € 555,97 in aanmerking te nemen bestaansmiddelen

Berekening Y: 500 – 244,03 = € 255,97 in aanmerking te nemen bestaansmiddelen

Gezamelijke inkomsten op maandbasis: 555,97 + 255,97 = € 811,94

811,94 x 12 = € 9.743,28 in aanmerking te nemen bestaansmiddelen op jaarbasis

Berekening op jaarbasis: 14.283,19 – (9.743,28 – 310) = € 4.849,91

Berekening op maandbasis: 4.849,91 : 12 = € 404,16

4.1.4. Duur van de spi-vrijstelling

Vanaf 1 oktober 2014Verborgen veld, blijft de spi-vrijstellingsperiode zoals vroeger behouden op 3 jaar. Maar deze vrijstellingstermijn van 3 jaar kan vanaf nu worden opgebouwd binnen een periode van 6 jaar die aanvangt op de eerste dag waarop de vrijstelling wordt toegekend en eindigt 6 jaar later.

Voor deze wijziging betrof het een ononderbroken periode van 3 jaar.

a) Wanneer begint de spi-vrijstellingsperiode ?

De vrijstelling geldt voor een periode te rekenen vanaf:

  • De datum dat de betrokkene als leefloongerechtigde begint te werken
  • De datum dat de betrokkene als leefloongerechtigde een beroepsopleiding aanvat
  • De datum dat betrokkene gerechtigd wordt op een leefloon indien hij reeds een beroepsopleiding volgde

Indien het recht op leefloon onderbroken wordt (wegens tijdelijk te hoge inkomsten) kan de SPI-vrijstelling opnieuw toegepast worden indien de vrijstelling bij de aanvang van dezelfde tewerkstelling ook kon toegepast worden.

Voorbeeld:

Betrokkene is gerechtigd op een leefloon als alleenstaande (€ 892,70 per maand) sedert 01.10.2017

Hij begint op 01.11.2017 deeltijds te werken en verdient een maandloon van € 900. Er is recht op een aanvullend leefloon (zie hierboven).

Gedurende de maand december moet betrokkene 1 maand voltijds werken en verdient hij € 1.500. Het leefloon wordt gestopt wegens te hoge inkomsten.

Vanaf januari werkt de betrokkene opnieuw deeltijds met een maandloon van € 900.

Omdat het gaat om een doorlopende tewerkstelling en er bij de aanvang toepassing kon gemaakt worden van de spi-vrijstelling, mag deze opnieuw toegepast worden. Betrokkene heeft dus opnieuw recht op een aanvullend leefloon.

b) Welke dagen worden er in aanmerking genomen?

Om het aantal werkdagen te tellen, neemt men de periode waarin de betrokkene tewerkgesteld is, inclusief de weekends en dit ongeacht welk werkregime de betrokkene gedurende de hele maand heeft.

Bijvoorbeeld :

• Een persoon is voltijds tewerkgesteld : art. 35 wordt op hele maand toegepast, zelfs als hij niet tijdens het weekend werkt.

• Een persoon heeft een arbeidscontract waardoor enkel op zaterdagen en zondagen werkt : dit is haar permanent werkregime : men berekent de bestaansmiddelen en de toepassing van art. 35 §1 op de hele maand.

• Een persoon werkt regelmatig op interimbasis: hij bevindt zich in een « duurzaam proces van interimtewerkstelling ». Zelfs indien hij enkele dagen of periodes niet werkt, berekenen we het inkomen per volledige maand voor wat betreft de toepassing van art. 35 §1. (Cfr. de voorbeelden opgenomen in puntje 5.3.2.)

Indien de betrokkene mutualiteitsvergoedingen ontvangt, beschouwt men hem niet langer als ten laste van zijn werkgever. Bijgevolg kan men dan ook de vrijstelling niet meer toepassen op de dagen die ten laste werden genomen door de mutualiteit (hetzelfde voor de arbeidsongevallenvergoedingen).

c) Hoe moet de overgangsperiode geregeld worden?

Er worden overgangsmaatregelen voorzien voor leefloongerechtigden wiens vrijstellingsperiode een aanvang kende voor 1 oktober 2014 en die hun vrijstellingstermijn van 3 jaar nog niet bereikt hebben. Leefloongerechtigden die zich in een dergelijke situatie bevinden, hebben recht op de resterende termijn van de vrijgestelde periode onder de nieuwe voorwaarden die voortaan gelden voor personen die vanaf 1 oktober 2014 voor het eerst van de vrijstelling genieten.

Dit betekent concreet dat op 1 oktober 2014 voor deze personen een stand van zaken opgemaakt moet worden. Het saldo van de vrijstellingstermijn zal daarbij moeten worden vastgesteld. Voor het bepalen van dit saldo moet in de eerste plaats de termijn berekend worden waarin men al van de vrijstelling genoten heeft. Daartoe begint men te rekenen vanaf de datum waarop de vrijstelling voor het eerst werd toegekend (=eerste dag van arbeid of opleiding) en dit tot 1 oktober 2014. Deze termijn moet vervolgens van de termijn van 3 jaar worden afgetrokken. Het resultaat is het resterende saldo van de vrijstellingsduur.

De termijn van 6 jaar begint te lopen op de eerste dag waarop de betrokkene voor het eerst van het voordeel van de spi-vrijstelling genoten heeft en loopt 6 jaar later ten einde. De termijn van 6 jaar begint met andere woorden NIET te lopen op 1 oktober 2014.

Het programma NovaPrima zal de situatie voor alle betrokken rechthebbenden initialiseren. NovaPrima zal de datum van de eerste vrijstelling berekenen, evenals het aantal in gans België reeds opgebruikte dagen (want voor het leefloon wordt de berekening per dag en niet in maanden gedaan). De OCMW’s moeten dus niets doen. Alles gebeurt automatisch door middel van een omrekeningsprogramma.

Voorbeeld

Een persoon ontvangt een leefloon en begint op 1 april 2012 te werken. Hij werkt van:

1 april 2012 tot en met 30 september 2012 (6 maanden)

15 december 2012 tot en met 14 juni 2013 (6 maanden)

1 september 2013 tot en met 31 december 2013 (4 maanden)

1 februari 2014 tot en met 31 maart 2014 (2 maanden).

Oude procedure

De termijn begint te lopen op 1 april 2012 en eindigt 3 jaar later, met name op 31 maart 2015. De betrokkene zal dus op 1 oktober 2014 nog 6 maanden kunnen laten gelden.

Overgangsperiode en nieuwe procedure

De termijn begint te lopen op 1 april 2012 en loopt 6 jaar later op 31 maart 2018 ten einde.

Op 1 oktober 2014 kan de betrokkene nog 6 resterende maanden laten gelden en dit gedurende een periode die loopt tot 31 maart 2018. Het gaat dus om de nieuwe voorwaarden bepaald door artikel 35, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Vanaf 1 oktober 2014 worden enkel de periodes waarin de betrokkene effectief gewerkt heeft of een opleiding heeft gevolgd in rekening gebracht bij het vaststellen van de vrijstellingstermijn.

4.1.5. Limiet van de toepassing van de spi-vrijstelling

- De vrijstelling kan enkel toegepast worden indien betrokkene na toepassing ervan nog verder gerechtigd is op een aanvullend leefloon.

Het inkomen mag hoger zijn dan het leefloonbedrag van de categorie waarop hij gerechtigd is, maar moet na toepassing van de vrijstelling wel lager zijn.

Vanzelfsprekend moeten hierbij ook de andere bestaansmiddelen in aanmerking genomen worden om na te gaan of het uiteindelijk bedrag van de bestaansmiddelen lager is dan het leefloonbedrag van de categorie waarop hij gerechtigd is.

Voorbeeld:

Betrokkene is gerechtigd op een leefloon als alleenstaande (€ 892,70 per maand).

Hij begint de eerste van de maand deeltijds te werken en verdient een maandloon van € 1.000.

Berekening:

1.000 – 244,03 = 755,97 < 867,40

755,97 x 12 = 9.071,64 inkomsten op jaarbasis

10.712,38 – (9.071,64 – 250) = € 1.890,74

Indien het inkomen van betrokkene na toepassing van de spi-vrijstelling lager is dan het leefloonbedrag van de categorie waarop hij gerechtigd is, moet vervolgens op dit inkomen de jaarlijkse forfaitaire vrijstelling toegepast worden. Deze is voorzien in artikel 22, § 2, van het koninklijk besluit van 11/7/02.

- De vrijstelling mag niet toegepast worden op het niet-vrijgestelde gedeelte van het loon dat aan de betrokkene wordt betaald in het kader van zijn PWA- activiteiten.

- Indien de spi-vrijstelling wordt toegepast en een ander OCMW bevoegd wordt, past dit nieuwe centrum de vrijstelling verder toe bij de berekening van het leefloon. Het gaat hier namelijk om een voortgezette tewerkstelling waarbij het recht op de vrijstelling bij de aanvang van de tewerkstelling bestond.

- Indien de spi-vrijstelling wordt toegepast en het recht op een leefloon gedurende een bepaalde periode wordt onderbroken doordat het aantal uren tewerkstelling verhoogt, wordt de spi-vrijstelling bij een daling van het aantal uren – en het weer ontstaan van een recht op een leefloon – opnieuw toegepast indien het gaat om eenzelfde tewerkstelling. Het gaat hier namelijk om een doorlopende tewerkstelling waarbij het recht op de vrijstelling bij de aanvang van de tewerkstelling bestond.

Dit principe geldt ook indien het gaat om het verrichten van regelmatige onderbroken arbeid.

- De vrijstelling mag niet (met terugwerkende kracht) toegepast worden op de inkomsten uit arbeid die betrokkene niet heeft aangegeven aan het centrum.

Indien het OCMW dit in een later stadium te weten komt vordert het centrum het ten onrechte uitbetaalde leefloon terug zonder toepassing te maken van de vrijstelling op de inkomsten uit arbeid.

4.1.6. Verplichte toepassing voor het OCMW

De vrijstelling is een recht voor betrokkene indien hij aan de voorwaarden voldoet. Het OCMW moet dit dan ook toepassen bij de berekening van het leefloon.

4.2. Vrijstelling van de inkomsten uit artistieke activiteiten

1) Voorwaarden om van de vrijstelling te genieten

Het gaat om een specifieke variant op de spi-vrijstelling door een vrijstelling toe te passen op de inkomsten uit een artistieke activiteit waarvan de prestaties onregelmatig zijnVerborgen veld.

Voorbeelden van de creatie en de vertolking van artistieke werken zijn

Audiovisuele en beeldende kunsten

Muziek

Literatuur

Spektakelbedrijf

Decorontwerp

Choreografie

De vrijstelling geldt eveneens voor de echtgenoot of de levenspartner van de gerechtigde op een leefloon categorie 3 mits deze aan de voorwaarden voldoet.

2) Bedrag van de vrijstelling

 

Basisbedrag op jaarbasis

Bedrag op jaarbasis op 01/06/2016

Vrijstellingen uit artistieke activiteiten

€ 2.133,12

€ 2.870,97

 

 

Basisbedrag op jaarbasis

Bedrag op jaarbasis op 01/06/2017

vrijstellingen uit artistieke activiteiten

 

€ 2.133,12

 

€ 2.928,35

 

3) Duur van de vrijstelling

De vrijstelling geldt voor een ononderbroken periode van 3 jaar, te rekenen vanaf de datum dat betrokkene als leefloongerechtigde voor het eerst beschikt over inkomsten uit een artistieke activiteit.

De vrijstelling wordt opgedeeld in 3 periodes van één jaar. Indien het bedrag van de vrijstelling gedurende een dergelijke periode van een jaar wordt overschreden (wegens te hoge inkomsten), moet met deze inkomsten rekening gehouden worden gedurende 1 jaar, te rekenen vanaf het moment dat deze inkomsten verworven zijn en het vrijgestelde bedrag overschreden wordt.

Deze aanrekening van bestaansmiddelen gebeurt onverminderd het feit dat er een nieuwe vrijstellingsperiode wordt gestart.

Voorbeeld

Een kunstschilder is gerechtigd op een leefloon categorie 2 sinds 01.02.2016 en

  • Verkoopt op 01.08.2017 een schilderij voor € 1.000
  • Verkoopt op 01.10.2017 een schilderij voor € 2.500
  • Verkoopt op 01.09.2018 een schilderij voor € 2.000
  • Verkoopt op 01.02.2019 een schilderij voor € 2.000
  • Verkoopt op 01.09.2019 een schilderij voor € 1.500
  • Verkoopt op 01.11.2020 een schilderij voor € 1.000

 

Berekening: de vrijstelling start op 01.08.2017 met volgende periodes

  • Periode van 01.08.2017 tot 31.07.2018: maximale vrijstelling € 2.928,35
  • Periode van 01.08.2018 tot 31.07.2019: maximale vrijstelling € 2.928,35
  • Periode van 01.08.2019 tot 31.07.2020: maximale vrijstelling € 2.928,35

Eerste periode (01.08.2017 tot 31.07.2018)

01.08.2017 volledige vrijstelling van € 1.000

Restvrijstelling: 2.928,35 – 1.000 = 1.928,35

01.10.2017 gedeeltelijke vrijstelling van de verkoop van het schilderij voor € 2.500

1.928,35 (saldo restvrijstelling) – 2.500 = € 571,65 welke niet mag vrijgesteld worden.

Deze bestaansmiddelen (€ 571,65) zullen gedurende 1 jaar vanaf datum van de verkoop in aanmerking moeten genomen worden (deze periode verschilt dus van de vrijstellingsperiode).

 

Concreet: berekeningswijze van 01.10.2017 tot 30.09.2018

10.712,38 – (571,65 – 250) = € 10.390,73

Tweede periode (01.08.2018 tot 31.07.2019)

01.09.2018 volledige vrijstelling van € 2.000

Restvrijstelling: 2.928,35 – 2.000 = 928,35

 

Concreet: berekeningswijze van 01.08.2018 tot 30.09.2018

10.712,38– (571,65 (in aanmerking te nemen gedeelte uit de eerste periode) – 250) = € 10.390,73

01.02.2019 gedeeltelijke vrijstelling

2.000 – 928,35 = 1.071,65 in aanmerking te nemen bestaansmiddelen gedurende 1 jaar vanaf datum van de verkoop

 

Concreet: berekeningswijze van 01.02.2019 tot 31.01.2020

10.712,38 – (1.071,65 – 250) = € 9.890,73

Derde periode (01.08.2018 tot 31.07.2020)

01.09.2019 volledige vrijstelling van € 1.500

Restvrijstelling: 2.928,35 – 1.500 = 1.428,35

 

Concreet: berekeningswijze van 01.08.2019 tot 31.01.2020

10.712,38 – (1.071,65 (in aanmerking te nemen gedeelte uit de tweede periode) – 250) = € 9.890,73

Periode van 01.02.2020 tot 31.07.2020

Geen in aanmerking te nemen bestaansmiddelen = € 10.712,38

 

- Na vrijstellingsperiode van 3 jaar

01.11.2020 : 1.000 in aanmerking te nemen bestaansmiddelen gedurende 1 jaar vanaf datum van de verkoop

 

Concreet: berekeningswijze van 01.11.2020 tot 31.10.2021

10.712,38 – (1.000 – 250) = € 9.962,38

4) Verplichte toepassing voor het OCMW

De vrijstelling is een recht voor betrokkene indien hij aan de voorwaarden voldoet. Het OCMW moet dit dan ook toepassen bij de berekening van het leefloon.

Enige uitzondering is indien de betrokkene zelf vraagt om de vrijstelling niet toe te passen omdat hij er bv. geen belang bij heeft dat de periode meteen zou ingaan.

4.3. Vrijstelling voor jongeren die studies met voltijds leerplan volgenVerborgen veld

1) Voorwaarden om te genieten van de vrijstelling voor jongeren die studies met een voltijds leerplan volgen

Om het opdoen van beroepservaring te bevorderen en de zelfstandigheid te vergroten wordt bij de berekening van de bestaansmiddelen geen rekening gehouden met een forfaitair maandelijks bedrag dat de jongere verdient indien

Hij studies met voltijds leerplan volgt in een door de Gemeenschappen erkende, ingerichte of gesubsidieerde instelling

EN

Er met hem een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI) is afgesloten

De spi-vrijstelling geldt enkel voor iemand die studies met voltijds leerplan volgt én jonger is dan 25 jaar op het moment dat hij gerechtigd is op een leefloon.

In dit geval kan de vrijstelling wel verder toegepast worden nadat betrokkene 25 jaar is geworden.

Dit is ook het geval indien het recht geopend wordt nadat betrokkene al 25 jaar is maar nog als een student beschouwd wordt in de zin van artikel 11, § 2, van de wet van 26/5/02).

Voorbeeld 1: Een student begint een opleiding geneeskunde op 23-jarige leeftijd. Hij vraagt op die leeftijd steun aan. De vrijstelling kan worden toegepast.

Voorbeeld 2: Een student begint een opleiding geneeskunde op 23-jarige leeftijd. Hij vraagt op 26-jarige leeftijd een steun aan. De vrijstelling kan worden toegepast.

Deze spi-vrijstelling kan niet toegepast worden indien de student al 25 jaar is op het moment dat hij leefloongerechtigd is.

Deze spi-vrijstelling geldt ook indien de betrokkene reeds werkte als student vooraleer gerechtigd te zijn op een leefloon.

Het gaat hier namelijk om het bevorderen van het opdoen van werkervaring en het stimuleren van de zelfstandigheid van de student.

Deze spi-vrijstelling geldt niet enkel indien de betrokkene een studentenjob uitoefent, maar eveneens wanneer hij inkomsten verwerft in het kader van zijn studies (bv. bij het volgen van deeltijds beroepssecundair onderwijs, een middenstandsopleiding,…).

Indien er uit hoofde van de jongere een studiebeurs wordt toegekend die hij echter niet zelf ontvangt, moet de spi-vrijstelling voor een student zonder beurs toegepast worden.

In het kader van het uitputten van de rechten kan wel van de jongere gevergd worden dat hij inspanningen levert om de studiebeurs zelf te ontvangen.

De vrijstelling geldt eveneens voor de echtgenoot of de levenspartner van de gerechtigde op een leefloon categorie 3 mits deze aan de voorwaarden voldoet.

2) Bedrag van de vrijstelling

Vrijstelling voor jongeren die studies met voltijds leerplan volgen

Basisbedrag op maandbasis

Bedrag op maandbasis op 01/06/2016

Bedrag op jaarbasis op 01/06/2016

- indien de jongeren niet geniet van een studiebeurs

€ 177,76

€ 239,25

€ 2.870,97

- indien de jongere geniet van een studiebeurs van de GemeenschappenVerborgen veld

€ 49,58

€ 66,73

€ 800,76

 

 

Vrijstelling voor jongeren die studies met voltijds leerplan volgen

Basisbedrag op maandbasis

Bedrag op maandbasis op 01/06/2017

Bedrag op jaarbasis op 01/06/2017

- indien de jongeren niet geniet van een studiebeurs

€ 177,76

€ 244,03

2.928,35

- indien de jongere geniet van een studiebeurs van de GemeenschappenVerborgen veld

€ 49,58

€ 68,06

816,72

 

3) Duur van de vrijstelling

De vrijstelling geldt gedurende de hele periode waarvoor het geïndividualiseerd project is afgesloten.

Concreet betekent dit dus dat de vrijstelling geldt gedurende de hele duur van de studies met voltijds leerplan die gedekt is door het GPMI.

4) Limiet van de toepassing van de spi-vrijstelling

De vrijstelling kan enkel toegepast worden indien betrokkene na toepassing ervan nog verder gerechtigd is op een aanvullend leefloon.

Het inkomen mag hoger zijn dan het leefloonbedrag van de categorie waarop hij gerechtigd is, maar moet na toepassing van de vrijstelling wel lager zijn.

Vanzelfsprekend moeten hierbij ook de andere bestaansmiddelen in aanmerking genomen worden om na te gaan of het uiteindelijk bedrag van de bestaansmiddelen lager is dan het leefloonbedrag van de categorie waarop hij gerechtigd is.

5) Verplichte toepassing voor het OCMW

De vrijstelling is een recht voor betrokkene indien hij aan de voorwaarden voldoet. Het OCMW moet dit dan ook toepassen bij de berekening van het leefloon.

6) Invloed van de studiebeurs

Indien nog niet geweten is of betrokkene gedurende de periode van tewerkstelling al dan niet zal genieten van een studiebeurs, moet de hoogste vrijstelling toegepast worden.

Indien betrokkene met terugwerkende kracht toch geniet van een studiebeurs tijdens de periode van tewerkstelling moet met terugwerkende kracht de kleinste vrijstelling toegepast worden en het te veel uitbetaalde leefloon teruggevorderd worden.

4.4. Is cumulatie tussen de verschillende spi-vrijstellingen mogelijk?

Het is niet mogelijk de spi-vrijstelling als werkende of een opleiding volgend (‘gewone’ vrijstelling), te cumuleren met de spi-vrijstelling in het kader van een artistieke activiteit.

Indien betrokkene gedurende 3 jaar genoten heeft van de ‘gewone’ vrijstelling kan hij niet meer genieten van de vrijstelling artistieke activiteit. Andersom is net hetzelfde.

Een student die geniet van de spi-vrijstelling gedurende zijn studiesVerborgen veld kan na het beëindigen van zijn studies nog genieten van de ‘gewone’ spi-vrijstelling (artikel 35, § 1, van het kb van 11/7/02) gedurende 3 jaar in een periode van 6 jaar indien hij begint te werken en aan de voorwaarden voldoetVerborgen veld.

Dit recht geldt ook indien het gaat om een lopende tewerkstelling en de student stopt met studeren.

In dit geval gaat de ‘gewone’ spi-vrijstelling in vanaf de dag dat betrokkene zijn studies gestopt heeft terwijl de tewerkstelling verder loopt.

5. ONROERENDE GOEDEREN

5.1 BerekeningswijzeVerborgen veld

 

  1. De berekening gebeurt op basis van het niet-geïndexeerd kadastraal inkomen van elk onroerend goed.
  2. De betrokkene is eigenaar of vruchtgebruiker van het goed. Dit betekent dat er geen rekening gehouden wordt met goederen die betrokkene in naakte (blote) eigendom heeft.
  3. De berekening voor bebouwde onroerende goederen en die voor onbebouwde onroerende goederen gebeurt apart.
  4. Er wordt rekening gehouden met het gedeelte van het kadastraal inkomen dat het vrijgestelde bedrag overschrijdt, vermenigvuldigd met 3.
  • Bebouwd onroerend goed: de vrijstelling bedraagt € 750, verhoogd met € 125 per kind waarvoor de betrokkene de hoedanigheid van bijslagtrekkende bezit wat betreft de kinderbijslag

    Voorbeeld

Bebouwd onroerend goed

Kadastraal inkomen: € 2.000

Volle eigendom

1 kind ten laste

Berekening:        2.000 – (750 + 125) = 1.125

  1. x 3 = € 3.375 inkomsten op jaarbasis

 

  • Onbebouwd onroerend goed: de vrijstelling bedraagt € 30

    Voorbeeld

    Onbebouwd onroerend goed

    Kadastraal inkomen: € 200

    Volledig vruchtgebruik

    Berekening:        200 – 30 = 170

    170 x 3 = € 510 inkomsten op jaarbasis

 

5.2 Eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheidVerborgen veld

Indien de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker is in onverdeeldheid wordt het kadastraal inkomen vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager op dit goed.

Het vrijgestelde bedrag wordt in dit geval vermenigvuldigd met dezelfde breuk.

Voorbeelden:

 

  • Onbebouwd onroerend goed

    Kadastraal inkomen: € 200

    ½ vruchtgebruiker

    Berekening: (200 x ½) – (30 x ½) = 100 – 15

                        85 x 3 = € 255 inkomsten op jaarbasis

     

  • Bebouwd onroerend goed

    Kadastraal inkomen: € 2.000

    ½ volle eigendom

    1 kind ten laste

    Berekening:(2.000 x ½) – ((750 + 125) x ½) = 1.000 – (875 x ½) = 1.000 – 437,50

                       562,50 x 3 = € 1.687,50 inkomsten op jaarbasis

     

5.3 Eigenaar of vruchtgebruiker onroerende goederen

  • Het kadastraal inkomen van elk goed moet in aanmerking genomen worden.
  • Het principe bij eigendom of vruchtgebruik in onverdeeldheid wordt in voorkomend geval op het goed toegepast.
  • Het bedrag van de vrijstelling wordt verdeeld onder het aantal goederen.
  • De resultaten van elk goed worden samengeteld.
  • Indien het resultaat van de berekening na toepassing van de vrijstelling negatief is, mag dit negatief resultaat niet in mindering gebracht worden bij de berekening van een ander goed.

Voorbeelden

 

a) Bebouwd onroerend goed A: € 2.000, volle eigendom

    Bebouwd onroerend goed B: € 1.500, volle eigendom

Berekening:

vrijstelling: 750 te verdelen over 2 goederen = 750 : 2 = 375 per goed

Goed A:  2.000 – 375 = 1.625 =>1.625 x 3 = € 4.875

Goed B: 1.500 – 375 = 1.125 =>1.125 x 3 = € 3.375

Goed A + goed B = 4.875 + 3.375 = € 8.250 inkomsten op jaarbasis

 

b) Bebouwd onroerend goed A: € 2.000, ½ eigenaar

 Bebouwd onroerend goed B: € 1.500, volle eigendom

2 kinderen ten laste

 

Berekening:

vrijstelling: 750 + (125 x 2) = € 1.000 te verdelen over 2 goederen = 1.000 : 2 = 500 per goed

Goed A: (2.000 x ½) – (500 x ½) = 1.000 – 250 => 750 x 3 =€  2.250

Goed B: 1.500 – 500 =>1.000 x 3 = € 3.000

Goed A + goed B = 2.250 + 3.000 = € 5.250 inkomsten op jaarbasis

 

c) Bebouwd onroerend goed A: € 300, volle eigendom

Bebouwd onroerend goed B: € 1.200, volle eigendom

 

Berekening:

vrijstelling: 750 te verdelen over 2 goederen = 750 : 2 = 375 per goed

Goed A:  300 – 375 = 0                  

Goed B:  1.200 – 375 = 825=>  825 x 3 = € 2.475

 

d) Bebouwd onroerend goed A: € 1.500, volle eigendom

Onbebouwd onroerend goed B: € 200, volle eigendom

 

Berekening:

vrijstelling: 750 voor goed A en 30 voor goed B

Goed A:  1.500 – 750 = 750x3= € 2250          

Goed B:  200 – 30 = 170x3= €510

                        A+B= 2250 +510 = €2760

 

5.4 In het buitenland gelegen goederenVerborgen veld

De in het buitenland gelegen bebouwde onroerende goederen worden op dezelfde manier in aanmerking genomen als de bebouwde onroerende goederen in België.

Onder kadastraal inkomen verstaat men elke gelijkaardige grondslag van belasting waarin bij de fiscale wetgeving van het land waar het bebouwde onroerend goed gelegen is, is voorzien.

Bij ontstentenis van een belastingheffing kan in voorkomend geval rekening gehouden worden met de huuropbrengsten van het goed.

 

5.5 Met hypotheek bezwaard onroerend goed Verborgen veld

1) De hypothecaire intresten mogen afgetrokken worden van de in aanmerking te nemen bestaansmiddelen van dat goed op voorwaarde dat:

  • De schuld werd aangegaan voor de eigen behoeften van de aanvrager
  • De aanvrager de bestemming bewijst van het ontleend kapitaal
  • De aanvrager bewijst dat de hypothecaire intresten eisbaar waren
  • De aanvrager bewijst dat de hypothecaire intresten werkelijk betaald werden voor het jaar dat datgene van de ingangsdatum van de beslissing voorafgaat

2) Indien de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker is in onverdeeldheid wordt het bedrag van de hypothecaire intresten vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager op dit goed.

 

3) De aftrek mag gebeuren voor maximaal de helft van het in aanmerking te nemen resultaat van de berekening.

 

4) Indien rekening gehouden wordt met de huuropbrengsten van een goed, kan de aftrek van de hypothecaire intresten niet toegepast worden.

Voorbeeld

Bebouwd onroerend goed

Kadastraal inkomen: € 2.000

Volle eigendom

1 kind ten laste

Hypothecaire intresten: € 2.500

 

Berekening:            vrijstelling: 750 + 125 = 875

2.000 – 875 = 1.125

1.125 x 3 = € 3.375

 

Hypothecaire aftrek is maximaal de helft van het in aanmerking te nemen bedrag: 3.375 : 2 = 1.687,50

 Dus geen aftrek van € 2.500 !

3.375 – 1.687,50 = € 1.687,50 inkomsten op jaarbasis

5.6 Aftrek voor de verwerving van het onroerend goed door middel van een lijfrente Verborgen veld

1.Het bedrag van de lijfrente mag afgetrokken worden van de in aanmerking te nemen bestaansmiddelen van dat goed op voorwaarde dat de aanvrager de lijfrente werkelijk betaald heeft.

2. Indien de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker is in onverdeeldheid wordt het bedrag van lijfrente vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager op dit goed.

3. De aftrek mag gebeuren voor maximaal de helft van het in aanmerking te nemen resultaat van de berekening.

Voorbeeld:

Bebouwd onroerend goed

Kadastraal inkomen: € 2.000

Volle eigendom

2 kinderen ten laste

Betaling van een rente van € 5.000 per jaar

 

Berekening:     vrijstelling: 750 + (125 x 2) = 1.000

2.000 – 1.000 = 1.000

1.000 x 3 = 3.000

Aftrek van de betaalde lijfrente is maximaal de helft van het in aanmerking te nemen bedrag: 3.000 : 2 = 1.500

                     3.000– 1.500 = € 1.500 inkomsten op jaarbasis

 

5.7 Specifieke situatie indien de aanvrager in aanmerking komt voor een leefloon categorie 3Verborgen veld

1.Het vrijgesteld bedrag van het kadastraal inkomen van een bebouwd onroerend goed wordt ook verhoogd met € 125 per kind waarvoor de echtgenoot of levenspartner van de aanvrager de hoedanigheid van bijslagtrekkende bezit wat betreft de kinderbijslag. Bijgevolg heeft de ouder die niet die hoedanigheid van bijslagtrekkende heeft, geen recht op deze verhoging.

2. Indien de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker is in onverdeeldheid wordt het kadastraal inkomen vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner op dit goed.

Het vrijgesteld gedeelte wordt in dit geval met dezelfde breuk vermenigvuldigd.

3. Indien de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker is in onverdeeldheid wordt het bedrag van de hypothecaire intresten vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner op dit goed.

4. Indien de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker is in onverdeeldheid wordt het bedrag van de lijfrente vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner op dit goed.

 

5.8 Berekening van de inkomsten uit onroerende goederen bij verhuurVerborgen veld

Indien de inkomsten uit verhuur hoger liggen dan het resultaat van de berekening via het kadastraal inkomen, wordt er voor de berekening van de bestaansmiddelen rekening gehouden met de inkomsten uit verhuur van het goed (en dus niet met het kadastraal inkomen).

Voorbeeld:

Bebouwd onroerend goed

Kadastraal inkomen: € 2.500

Volle eigendom

2 kinderen ten laste

Huuropbrengsten: € 5.000 per jaar

 

Berekening:

vrijstelling: 750 + (125 x 2) = 1.000

2.500 – 1.000 = 1.500

1.500 x 3 = 4.500

Aangezien de inkomsten uit verhuur hoger zijn dan het resultaat van de berekening wordt rekening gehouden met de huuropbrengsten (en dus niet met de berekening via het kadastraal inkomen).

€ 5.000 inkomsten op jaarbasis

 

Indien de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker is in onverdeeldheid wordt het bedrag van de huur vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager op dit goed.

 

Indien de aanvrager in aanmerking komt voor een leefloon categorie 3 en eigenaar of vruchtgebruiker is in onverdeeldheid wordt het bedrag van de huur vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner op dit goed.

 

6. ROERENDE KAPITALENVerborgen veld

1. Onder roerende kapitalen worden onder andere verstaan:

  • Baar geld (bv. geld verkregen uit een erfenis)
  • Geld op een lopende rekening en een spaarboekje
  • Effecten, aandelen, obligaties en fondsen
  • Gelden die de betrokkene vrijwillig heeft ‘vastgezet’
  • Teruggave van de belastingen

 

2. Er wordt forfaitair rekening mee gehouden volgens percentages per schijf

  • 0 % voor de schijf van € 1 tot € 6.200
  • 6 % voor de schijf van € 6.201 tot € 12.500
  • 10 % voor de schijf vanaf € 12.501

 

Voorbeeld

De aanvrager beschikt over een bankrekening met € 55.500.

Berekening:    

schijf van € 1 tot en met € 6.200 : 0%  = € 0

                        Schijf van € 6.201 tot € 12.500 (= € 6.300) : 6 % = € 378

Schijf van € 12.501 tot € 55.500 (= € 43.000) : 10 % = € 4.300

Totaal: € 378 + € 4.300 = € 4.678 inkomsten op jaarbasis

 

 

3. In geval van gemeenschappelijke rekening wordt het kapitaal vermenigvuldigd met de breuk die het aandeel van de aanvrager in het kapitaal uitdrukt (teller is gelijk aan 1 en noemer is gelijk aan het aantal personen die houder van de rekening zijn).

De bedragen van de schijven worden eveneens vermenigvuldigd met deze breuk.

 

Voorbeeld

2 broers hebben een gemeenschappelijke rekening met ieder de helft

€ 60.000 op de rekening

Berekening broer A:    € 60.000 x ½ = € 30.000

schijf van € 1 tot en met € 3.100 : 0%  = € 0

                        Schijf van € 3.101 tot € 6.250 (= € 3.150) : 6 % = € 189

                        Schijf van € 6.251 tot € 30.000 (= € 23.750) : 10 % = € 2.375

                        Totaal: € 189 + 2.375 = € 2.564 inkomsten op jaarbasis

 

4. In geval van gemeenschappelijke rekening van een aanvrager die in aanmerking komt voor een leefloon categorie 3 wordt het kapitaal vermenigvuldigd met de breuk die het aandeel van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner in het kapitaal uitdrukt (teller is gelijk aan 2 en noemer is gelijk aan het aantal personen die houder van de rekening zijn).

De bedragen van de schijven worden eveneens vermenigvuldigd met deze breuk.

 

5. Er wordt rekening gehouden met het kapitaal zolang het er werkelijk is. Er is dus geen maximale periode voorzien waarin met het kapitaal kan rekening gehouden worden.

 

6. Indien een minderjarige gerechtigde beschikt over een kapitaal dat geblokkeerd is tot zijn meerderjarigheid, mag hiermee geen rekening gehouden worden.

 

7. Op het moment dat het OCMW het dossier herziet, minimaal één keer per jaar, moet gekeken worden over welk kapitaal betrokkene nog beschikt. Niks belet evenwel dat betrokkene zelf een herziening vraagt omdat het kapitaal gewijzigd is.

 

7. DE AFSTAND VAN GOEDEREN Verborgen veld

7.1. Algemene bepalingen

a. Soort van afstand:

Het betreft hier

  • de afstand van roerende goederen (bijvoorbeeld: een ring)
  • de afstand van onroerende goederen (bijvoorbeeld: woning, gronden)

De afstand kan gebeuren

  • om niet, dit wil zeggen een schenking
  • ten bezwarende titel, dit wil zeggen een verkoop

 

b. Duur van de in aanmerking neming van de afstand

Men mag maximum 10 jaar rekening houden met de inkomsten uit een afstand, te rekenen vanaf de datum van de afstand.

Dit betekent dat op het moment van de aanvraag van het leefloon, de afstand dus maximum 10 jaar geleden heeft plaats gevonden (= in de loop van de 10 jaar voor de datum waarop het leefloon uitwerking heeft).

 

c. In aanmerking neming van de verkoopwaarde van het goed

     1. Algemene regel

Er wordt met de inkomsten rekening gehouden

  • Op een forfaitaire manier
  • Door rekening te houden met de verkoopwaarde van het goed op het tijdstip van de afstand
  • Die medegedeeld worden door de ontvanger van Registratie

Doordat rekening gehouden wordt met de verkoopwaarde van het goed betekent dit dat:

  • Er niet altijd rekening gehouden wordt met de verkoopprijs van het goed (in het geval dat er een enorm verschil is tussen de verkoopwaarde en de verkoopprijs van het goed).
  • Er ook rekening kan gehouden worden met de inkomsten uit een afstand indien betrokkene niet meer over deze inkomsten beschikt. Het gaat namelijk over de verkoopwaarde en niet het bedrag dat betrokkene daadwerkelijk ontvangen heeft.

 

     2. Bijzonderheden

  • Bij afstand van het vruchtgebruik van een goed wordt rekening gehouden met 40 % van de waarde in volle eigendom.
  • Bijgevolg wordt bij afstand van de blote (naakte) eigendom van een goed rekening gehouden met 60 % van de waarde in volle eigendom.
  • Indien de aanvrager eigenaar, vruchtgebruiker of blote (naakte) eigenaar in onverdeeldheid is, wordt de verkoopwaarde van het goed vermenigvuldigd met de breuk die het deel van de aanvrager in de onverdeeldheid uitdrukt.
  • Indien de aanvrager in aanmerking komt om gerechtigd te zijn op een leefloon categorie 3 eigenaar, vruchtgebruiker of blote (naakte) eigenaar in onverdeeldheid is, wordt de verkoopwaarde van het goed vermenigvuldigd met de breuk die het deel van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner in de onverdeeldheid uitdrukt.
  • Indien de betrokkene meerdere goederen heeft afgestaan, moet de wettelijk voorziene berekeningswijze toegepast worden (% met schijven) op het totaal van de afgestane goederen.De inkomsten uit afstand worden dus samen genomen om er eenmalig de berekeningswijze op toe te passen.Evenwel, de inkomsten uit een afstand mogen niet samen berekend worden met andere roerende kapitalen die de betrokkene bezit.In dit geval wordt op beide inkomsten afzonderlijk de voorziene berekeningswijze toegepast.

 

7.2 De afstand van bebouwde onroerende goederen ten bezwarende titel

a. Afstand van het woonhuis wanneer betrokkene geen ander bebouwd onroerend goed bezitVerborgen veld

Op de verkoopwaarde gebeuren volgende aftrekken:Verborgen veld

1. Persoonlijke schulden van de aanvrager

Op voorwaarde dat:

  • Het gaat om persoonlijke schulden van de aanvrager
  • De schulden aangegaan werden voor de afstand
  • De schulden geheel of gedeeltelijk werden afgelost met de opbrengst van de afstand

    Indien de aanvrager in aanmerking komt om gerechtigd te zijn op een leefloon categorie 3 worden de persoonlijke schulden van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner gezamenlijk afgetrokken van de verkoopwaarde van het goed waarvan beiden in onverdeeldheid eigenaar waren.

 

2. Een schijf van € 37.200Verborgen veld

Een vrijgesteld bedrag van €37.200 wordt toegepast op de verkoopwaarde.

Indien de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid was, wordt deze vrijgestelde schijf vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt op het goed.

Bijvoorbeeld:  afstand en ½ eigenaar: de vrijgestelde schijf bedraagt € 18.600

Indien de aanvrager in aanmerking komt om gerechtigd te zijn op een leefloon categorie 3 en in onverdeeldheid eigenaar was met zijn echtgenoot of levenspartner wordt deze vrijgestelde schijf vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het goed waarvan beiden in onverdeeldheid eigenaar waren.

 

3. Een forfaitaire aftrek per jaar, de zogenaamde abattementen, die gekoppeld is aan de leeflooncategorie waarop de betrokkene gerechtigd is[Verborgen veld:

  • € 1.250 indien betrokkene gerechtigd is op een leefloon categorie 1
  • € 2.000 indien betrokkene gerechtigd is op een leefloon categorie 2  
  • € 2.500 indien betrokkene gerechtigd is op een leefloon categorie 3

Het bedrag van de aftrek wordt berekend volgens het aantal maanden begrepen tussen de eerste van de maand die volgt op de datum van de afstand en de ingangsdatum van het recht op een leefloon.

Het bedrag van de aftrek wordt aangepast op datum van de herziening van het recht op een leefloon.

 

4. Op het aldus bekomen bedrag waarmee rekening gehouden wordt, wordt de berekeningswijze toegepast die voorzien is voor een roerend kapitaal (toepassing van de schijven).

Voorbeeld

Verkoopwaarde van het enige woonhuis: € 75.000

Bestaande persoonlijke schulden van voor de afstand en betaald met de inkomsten uit de verkoop: € 5.000

Betrokkene is alleenstaande, dus een jaarlijkse forfaitaire aftrek van € 2.000

Datum afstand: 15.01.2010

Ingangsdatum leefloon: 01.04.2013

 

Berekening:         

75.000 – 5.000 = 70.000

                 70.000 – 37.200 = 32.800

                

Abattementen, te rekenen vanaf 01.02.2010:

2010: 11/12 van 2.000

2011: 12/12 van 2.000

2012: 12/12 van 2.000

2013:   3/12 van 2.000

                             Totaal: 38/12 van 2.000 = 6.333,33

                                    32.800 – 6.333,33 = 26.466,67

 

                 Toepassing schijven:  0 % tussen  0 – 6.200 = 0

                                                     6 % tussen 6.201 – 12.500 = 378

                                                     10 % tussen 12.501 – 26.466,67 = 1.396,67

 

                 Totaal in aanmerking te nemen bestaansmiddelen op jaarbasis:

                 378 + 1.396,67 = € 1.774,67

 

b. Afstand van andere bebouwde onroerende goederen dan het enige woonhuisVerborgen veld

Op de verkoopwaarde gebeurt volgende aftrek :

                                               

1. Persoonlijke schulden van de aanvrager

Op voorwaarde dat

  • Het gaat om persoonlijke schulden van de aanvrager
  • De schulden aangegaan werden voor de afstand
  • De schulden geheel of gedeeltelijk werden afgelost met de opbrengst van de afstand

Indien de aanvrager in aanmerking komt om gerechtigd te zijn op een leefloon categorie 3 worden de persoonlijke schulden van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner gezamenlijk afgetrokken van de verkoopwaarde van het goed waarvan beiden in onverdeeldheid eigenaar waren.

 

2. Op het aldus bekomen bedrag waarmee rekening gehouden wordt, wordt de berekeningswijze toegepast die voorzien is voor een roerend kapitaal (toepassing van de schijven).

 

7.3 Afstand van bebouwde onroerende goederen of niet

Op de verkoopwaarde van het goed op het tijdstip van de afstand wordt de berekeningswijze toegepast die voorzien is voor een roerend kapitaal (toepassing van de schijven).

 

7.4 Afstand van onbebouwde onroerende goederen ten bezwarende titel

 

a. Afstand van een onbebouwd onroerend goed wanneer de betrokkene geen ander bebouwd of onbebouwd onroerend goed bezit

Op de verkoopwaarde gebeuren volgende aftrekken:

1. Persoonlijke schulden van de aanvrager

Op voorwaarde dat:

  • Het gaat om persoonlijke schulden van de aanvrager
  • De schulden aangegaan werden voor de afstand
  • De schulden geheel of gedeeltelijk werden afgelost met de opbrengst van de afstand

Indien de aanvrager in aanmerking komt om gerechtigd te zijn op een leefloon categorie 3 worden de persoonlijke schulden van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner gezamenlijk afgetrokken van de verkoopwaarde van het goed waarvan beiden in onverdeeldheid eigenaar waren.

                                                   

2. Een schijf van €37.200

Een vrijgesteld bedrag van €37.200 wordt toegepast op de verkoopwaarde.

Indien de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid was, wordt deze vrijgestelde schijf vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt op het goed.

Bijvoorbeeld: afstand en ½ eigenaar: de vrijgestelde schijf bedraagt € 18.600

Indien de aanvrager in aanmerking komt om gerechtigd te zijn op een leefloon categorie 3 en in onverdeeldheid eigenaar was met zijn echtgenoot of levenspartner wordt deze vrijgestelde schijf vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het goed waarvan beiden in onverdeeldheid eigenaar waren.

 

3. Een forfaitaire aftrek per jaar, de zogenaamde abattementen, die gekoppeld is aan de leeflooncategorie waarop de betrokkene gerechtigd is:

  • € 1.250 indien betrokkene gerechtigd is op een leefloon categorie 1
  • € 2.000 indien betrokkene gerechtigd is op een leefloon categorie 2
  • € 2.500 indien betrokkene gerechtigd is op een leefloon categorie 3

 

Het bedrag van de aftrek wordt berekend volgens het aantal maanden begrepen tussen de eerste van de maand die volgt op de datum van de afstand en de ingangsdatum van het recht op een leefloon.

Het bedrag van de aftrek wordt aangepast op datum van de jaarlijkse herziening van het recht op een leefloon.

 

4. Op het aldus bekomen bedrag waarmee rekening gehouden wordt, wordt de berekeningswijze toegepast die voorzien is voor een roerend kapitaal (toepassing van de schijven).

 

b. Afstand van een onbebouwd onroerend goed wanneer de betrokkene nog een ander bebouwd of onbebouwd onroerend goed bezitVerborgen veld

Op de verkoopwaarde gebeurt volgende aftrek :

                                             

1. Persoonlijke schulden van de aanvrager

Op voorwaarde dat

  • Het gaat om persoonlijke schulden van de aanvrager
  • De schulden aangegaan werden voor de afstand
  • De schulden geheel of gedeeltelijk werden afgelost met de opbrengst van de afstand

Indien de aanvrager in aanmerking komt om gerechtigd te zijn op een leefloon categorie 3 worden de persoonlijke schulden van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner gezamenlijk afgetrokken van de verkoopwaarde van het goed waarvan beiden in onverdeeldheid eigenaar waren.

 

2. Op het aldus bekomen bedrag waarmee rekening gehouden wordt, wordt de berekeningswijze toegepast die voorzien is voor een roerend kapitaal (toepassing van de schijven).

 

7.5 Afstand van onbebouwde onroerende goederen of nietVerborgen veld

Op de verkoopwaarde van het goed op het tijdstip van de afstand wordt de berekeningswijze toegepast die voorzien is voor een roerend kapitaal (toepassing van de schijven)

 

7.6 Afstand van roerende goederen ten bezwarende titelVerborgen veld

Op de verkoopwaarde gebeurt volgende aftrek :

                                             

  1. Persoonlijke schulden van de aanvrager

    Op voorwaarde dat

  • Het gaat om persoonlijke schulden van de aanvrager
  • De schulden aangegaan werden voor de afstand
  • De schulden geheel of gedeeltelijk werden afgelost met de opbrengst van de afstand

 

Indien de aanvrager in aanmerking komt om gerechtigd te zijn op een leefloon categorie 3 worden de persoonlijke schulden van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner gezamenlijk afgetrokken van de verkoopwaarde van het goed waarvan beiden in onverdeeldheid eigenaar waren.

 

  1. Op het aldus bekomen bedrag waarmee rekening gehouden wordt, wordt de berekeningswijze toegepast die voorzien is voor een roerend kapitaal (toepassing van de schijven).

7.7 Afstand van roerende goederen of nietVerborgen veld

Op de verkoopwaarde van het goed op het tijdstip van de afstand wordt de berekeningswijze toegepast die voorzien is voor een roerend kapitaal (toepassing van de schijven).

 

7.8 Belangrijke opmerking

Om billijkheidsreden kan het centrum beslissen om de voorziene berekeningswijze niet toe te passen. Het gaat hier om een autonome beslissing van het OCMW.Verborgen veld

Voorbeelden van billijkheidsredenen kunnen zijn: een zinvolle en gerechtvaardigde herinvestering, gewettigde onvoorziene uitgaven, …

De toepassing gebeurt in voorkomend geval op het einde van de voorziene berekeningswijze, maar vooraleer de toepassing van de schijven gebeurt.

Voorbeeld

     Na toepassing van de voorziene berekeningswijze moet bij afstand van het enige woonhuis rekening gehouden worden met een bedrag van € 80.000 (toepassing schijven).

     Betrokkene kan evenwel aantonen dat hij tussen het tijdstip van de afstand en de aanvraag van het leefloon hoge medische kosten gehad heeft voor een totaal van € 15.000.

     Het OCMW kan nu beslissen om de schijven toe te passen op een bedrag van € 65.000 (i.p.v. € 80.000).               

    Het centrum beslist hier autonoom over.

8.  VOORDELEN IN NATURA

8.1 Voordelen in natura verbonden aan de huisvesting

a. Principe

Het gaat om de kosten

  1. die verbonden zijn aan de huisvesting die de hoofdverblijfplaats van de aanvrager is, én
  2. die ten laste worden genomen door een derde met wie de betrokkene niet samenwoontVerborgen veld

Deze voorwaarden moeten tegelijk vervuld zijn.

Voorbeelden:

  • een derde die de huur van de woning in de plaats van de betrokkene betaalt
  • een derde die de hypothecaire lening afbetaalt van de woning waar de betrokkene nog woont
  • een derde die de lasten betaalt welke normaal door de huurder zelf zouden moeten betaald worden (water, gas, elektriciteit, brandverzekering,  …)

     

b. Specifieke gevallen

  • Indien de derde zelf geen kosten betaalt omdat hij eigenaar is van de woning die de aanvrager gratis mag bewonen, moet rekening gehouden worden met de fictieve huurprijs die normaal voor die woning zou moeten betaald worden op voorwaarde dat deze prijs wordt vastgesteld door iemand die bevoegd is in deze materie.
  • Het kot dat een jongere in de week betrekt (terwijl hij in de weekends en vakanties nog naar huis gaat) is geen voordeel in natura omdat het kot niet de hoofdverblijfplaats is van de jongere.
  • Een derde met wie de aanvrager eigenaar in onverdeeldheid is, blijft verder het totaalbedrag van de hypothecaire lening betalen voor de woning die de aanvrager verder alleen betrekt.

 

Voorbeelden:

    De aanvrager woont samen met een andere personen in een goed in onverdeeldheid en ze gaan uit elkaar.

    Aanvrager “a” blijft een woning betrekken waarvan hij de helft in volle eigendom heeft en “b” de andere helft in volle eigendom . « b » neemt het totaalbedrag van de hypothecaire lening ten laste. Het goed heeft een KI van 1.000 € en de   maandelijkse terugbetaling van de hypothecaire lening bedraagt 800 euro per maand.

 

Inkomsten van “a” :  De helft van het onroerend goed: onroerend inkomen + ‚  De helft van het onroerend goed: voordeel in natura

 

 (1.000 € gedeeld door 2) – (750 €gedeeld door 2) = (500 € - 375 € ) X 3 = 375€ inkomsten uit onroerende goederen.

‚ 800€ gedeeld door 2 = 400 € x 12 = 4.800€ inkomsten uit voordelen in natura.

 

Totaal : +‚= 375€ + 4.800 € = 5.175 euro jaarlijkse inkomsten

 

 

8.2 Andere voordelen in natura

Andere dan de kosten die verbonden zijn aan de huisvesting mogen niet in aanmerking genomen worden als voordelen in natura (bv. kleding, benzine …).

Voorbeeld

Een jongere woont gratis in een woning die eigendom is van zijn ouders.

De huurprijs is geschat op € 500 per maand.

Bovendien betalen de ouders maandelijks de elektriciteitsrekening van € 105 en de factuur voor het water van € 22

                  Ook rijdt de jongere gratis met de auto van zijn ouders.

 

Berekening:         

Voordelen in natura:

Huurprijs : 500 x 12 = 6.000

Elektriciteit: 105 x 12 = 1.260

Water: 22 x 12 = 264

totaal: 6.000 + 1.260 + 264 = € 7.524 inkomsten op jaarbasis

                Met de auto die de jongere gratis mag gebruiken, mag geen rekening gehouden worden voor de berekening van het leefloon.

 

Een jongere krijgt van zijn ouders nieuwe kleren. De ene maand gaat het om schoenen, de andere maand om een vest, dan krijgt hij een nieuwe broek, …

Aangezien het niet gaat om voordelen die gekoppeld zijn aan de huisvesting van betrokkene mag hiermee voor de berekening van het leefloon geen rekening gehouden worden.

 

 

9.1 ALGEMENE BEPALINGEN

a. In aanmerkingneming van de bestaansmiddelen van zijn echtgenoot of levenspartner

Het OCMW moet voor de berekening van het leefloon van de aanvrager rekening houden met de bestaansmiddelen van de persoon waarmee de aanvrager samenwoont als de aanvrager samenwoont met

  • Zijn echtgenoot
  • De persoon waarmee hij een feitelijk gezin vormt, zijn levenspartnerVerborgen veld

     

    Het geslacht van de samenwonende persoon is niet van belang, wel zijn hoedanigheid ten opzichte van de aanvrager.

 

b. In aanmerkingneming van de bestaansmiddelen van de samenwonende meerderjarige ascendenten of descendenten van de eerste graad

Het OCMW kan voor de berekening van het leefloon van de aanvrager geheel of gedeeltelijk rekening houden met de bestaansmiddelen van de meerderjarige ascendenten en descendenten van de eerste graadVerborgen veld.

Het gaat dus concreet over de bestaansmiddelen van de samenwonende ouder(s) en/of samenwonend(e) kind(eren) boven het niveau van de categorie samenwonende, berekend zoals voor een aanvrager van het leefloon.

Uitzonderingen:

  • Er mag geen rekening gehouden worden met de bestaansmiddelen van een minderjarig kind.
  • Er mag geen rekening gehouden worden met de inkomsten van de nieuwe partner van de ascendent en/of de kinderen van deze laatste.
  • Er mag geen rekening gehouden worden met de inkomsten van de pleegouder en/of het meerderjarig pleegkind.

     

c. Niet in aanmerkingneming van de bestaansmiddelen van de andere samenwonenden

Wanneer de aanvrager samenwoont met om het even welke andere personen, andere dan hiervoor genoemd, mogen de bestaansmiddelen van deze personen niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van het leefloon van de aanvragerVerborgen veld.

Bijvoorbeeld: de aanvrager woont samen met zijn broer, zijn grootmoeder, een tante of een andere persoon die geen relatie heeft met de betrokkene.

 

9.2 Berekeningswijze

De bestaansmiddelen van de persoon waarmee de aanvrager samenwoont worden in aanmerking genomen volgens de regels voor de berekening van de bestaansmiddelen die van toepassing zijn op de bestaansmiddelen van de aanvrager.

De berekening gebeurt met andere woorden alsof de samenwonende persoon zelf aanvrager is.

Dit betekent dat toepassing moet worden gemaakt van de wettelijke vrijstellingen die gelden (bv. gezinsbijslag ten voordele van de kinderen, studiebeurs, …), maar dat ook moet rekening gehouden worden met alle bestaansmiddelen die voor de berekening van het leefloon niet zijn vrijgesteld (bv. goederen die betrokkene in zijn bezit heeft,  roerende kapitalen, inkomsten uit afstand van een goed, …

 

a. De aanvrager komt in aanmerking om gerechtigd te zijn op een leefloon categorie 3 (woont samen met zijn echtgenoot of levenspartner en heeft een minderjarig kind te zijnen laste)

Alle bestaansmiddelen van de echtgenoot of levenspartner van de aanvrager worden in aanmerking genomenVerborgen veld.

Deze bestaansmiddelen worden berekend alsof hij zelf aanvrager is, dus met toepassing van alle specifieke regels die wettelijk voorzien zijn.

Aangezien er een gedeeld recht is tussen de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner heeft het OCMW ook de mogelijkheid om in voorkomend geval rekening te houden met de inkomsten van de samenwonende ouder(s) en/of schoonouder(s) van de aanvrager overeenkomstig hetgeen bepaald is in artikel 34, § 2, van het koninklijk besluit van 11/7/02.

Bijvoorbeeld:

         Mevrouw X en Meneer Y hebben een minderjarig kind en wonen samen met de moeder van Meneer Y. Mevrouw X is de aanvraagster. Zij kan aanspraak maken op een leefloon, categorie gezin te zijnen laste. Gelet op het feit dat het recht   van Meneer Y gedekt wordt door de categorie gezin te zijnen laste, kan het OCMW rekening houden met de inkomsten van de moeder van Meneer Y (schoonmoeder van Mevrouw X).

 

b. De aanvrager woont samen met zijn echtgenoot of met de persoon waarmee hij een feitelijk gezin vormt

Voor de berekening van de bestaansmiddelen van de aanvrager MOET rekening gehouden worden met het deel van de bestaansmiddelen van de persoon die geen leefloon aanvraagt en dat het bedrag voor samenwonende (categorie 1) overschrijdtVerborgen veld.

Deze regel geldt ook indien de echtgenoot of partner werkt in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet of in het kader van een activering.

 

c. De aanvrager woont samen met zijn ouder(s) en/of zijn meerderjarige kinderen

Voor de berekening van het leefloon van de aanvrager KAN het gedeelte van de bestaansmiddelen van ieder van die personen dat het bedrag voor samenwonende (categorie 1) overschrijdt geheel of gedeeltelijk in aanmerking worden genomen[Verborgen veld.

 

Het OCMW beslist dus autonoom of het al dan niet toepassing maakt van deze regel, en zo ja, in welke mate.

 

Indien het centrum niet of gedeeltelijk rekening houdt met de inkomsten, motiveert het de billijkheidsredenen met vermelding van de berekeningswijze.

 

Voorbeelden van billijkheidsredenen zijn :

de samenwonende persoon heeft zelf nog een minderjarig kind ten laste, schulden in het gezin, hoge medische kosten, schoolkosten, verhuis- of echtscheidingskosten, ….

Deze regel is ook van toepassing indien een jongere als kotstudent zijn gewoonlijke verblijfplaats nog bij zijn ouders heeft (komt tijdens weekends en vakanties nog naar huis).

De toepassing van deze bepaling moet aan de aanvrager en alle betrokken personen fictief het bedrag dat bepaald is voor de categorie ‘samenwonenden’ garanderen.

Indien een jongere het leefloon aanvraagt en samenwoont met beide ouders kan maximaal rekening gehouden worden met de inkomsten van de ouders boven 2 maal het bedrag voor samenwonende.

Voorbeelden waarbij rekening kan worden gehouden met de bestaansmiddelen van de samenwonende perso(o)n(en). In deze voorbeelden wordt er bij de berekening rekening gehouden met het maximumbedrag dat het OCMW in aanmerking kan nemen..

 

  • Aanvrager leefloon woont samen met beide ouders

    Inkomen vader: € 1.500 per maand

    Inkomen moeder: € 0

    In aanmerking genomen bestaansmiddelen op maandbasis:

    1.500 – ( 2x 595,13) = 309,74

    309,74 x 12 = 3.716,88 bestaansmiddelen op jaarbasis

    Berekening leefloon: 7.141,58– (3.716,88 – 155) = € 3.579,70

 

  • Aanvrager leefloon woont samen met moeder en meerderjarige broer die geen aanvraag doet

    Inkomen moeder: € 1.200 per maand

    In aanmerking genomen bestaansmiddelen op maandbasis

    1.200 – 595,13 = € 604,87

    604,87 > 595,13 ; dus geen recht op leefloon

 

  • Aanvrager leefloon woont samen met moeder en meerderjarige broer die eveneens leefloon aanvraagt

    Inkomen moeder: € 1.200 per maand

    In aanmerking genomen bestaansmiddelen op maandbasis

    1.200 – 595,13 = € 604,87 te verdelen over de beide aanvragers

    604,87 : 2 = € 302,44 bestaansmiddelen op maandbasis per aanvrager

    302,44 x 12 = 3.629,28 bestaansmiddelen op jaarbasis

    Berekening leefloon 7.141,58 – (3.629,28 – 155) = € 3.667,30

Al deze voorbeelden gaan uit van een berekening waarbij het OCMW maximaal rekening houdt met de inkomsten van de samenwonende ascendenten en/of descendenten van de eerste graad.

Het centrum heeft ook de mogelijkheid om niet of slechts gedeeltelijk rekening te houden met de inkomsten van deze samenwonende personen. Dit moet worden bepaald op een geval per geval op basis van het sociaal onderzoek.

 

 

 

 

Indien u hier nog geen antwoord gevonden hebt op uw vraag kunt u steeds de algemene website bezoeken waar u ook een onderdeel 'FAQ' vindt: www.mi-is.be. Het spreekt voor zich dat u zich ook steeds kunt richten tot de FrontOffice via vraag@mi-is.be of 02/5088585.