Sociale Activering

Toelage ter bevordering van de participatie en de sociale activering van OCMW-gebruikers

1. Wettelijke basis

Via een jaarlijks toelagebesluit wordt een toelage ter beschikking gesteld van de OCMW’s voor de financiering van initiatieven ter bevordering van de participatie en de sociale activering van OCMW-gebruikers.

Het toelagebesluit verschijnt jaarlijks onder de titel: “koninklijk besluit houdende maatregelen ter bevordering van de participatie en sociale activering van de gebruikers van de dienstverlening van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor het jaar xxxx”.

De toelageperiode loopt telkens van 1 januari tot en met 31 december.

Het jaarlijks beschikbare budget hiervoor wordt onder de OCMW’s verdeeld volgens volgende verdeelsleutel:

- 75 % op basis van het aantal gerechtigden op een leefloon als bedoeld door de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of op een financiële maatschappelijke hulp terugbetaald door de staat in het kader van artikel 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in de gemeente op datum van 1 januari van het voorgaande jaar;

- 25 % op basis van het aantal rechthebbenden op een verhoogde verzekeringstegemoetkoming als bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, in de gemeente op 1 januari van het voorgaande jaar.

Deze verdeelsleutel is evolutief in de tijd – de parameter wordt gemeten op 1 januari van het voorgaande jaar – en volgt de werkelijkheid op de voet. De verdeelsleutel vertrekt van een objectief criterium dat een aanwijzing vormt voor de armoedegraad in een bepaalde stad of gemeente en voor de werklast van het OCMW.

Het toegekende bedrag per OCMW wordt als bijlage bij het koninklijk besluit gevoegd.

2. Doel van de maatregel

Met de toelage wil men de OCMW’s financieel ondersteunen in de uitbouw van een beleid van participatie en sociale activering. Bedoeling is om de zelfredzaamheid, de weerbaarheid en de maatschappelijke betrokkenheid van de OCMW-gebruikers te verhogen en hun sociaal isolement te doorbreken door hen te laten deelnemen aan maatschappelijk zinvolle activiteiten. Dit kan gebeuren als doel op zich ofwel als een eerste stap in een traject voor socioprofessionele inschakeling.

3. Doelgroep

De toelage wordt gebruikt om de kosten te dekken die verband houden met de gebruiker van het OCMW in de ruime zin, met name de persoon die gebruik maakt van gelijk welke vorm van openbare dienstverlening die behoort tot de opdrachten van het OCMW. Die dienstverlening moet in de ruimst mogelijke betekenis begrepen worden. Men mag het gebruik van de toelage dus niet beperken tot personen die recht hebben op een leefloon (of een andere sociale uitkering).

Personen die geen recht hebben op leefloon maar toch een beroep doen op een dienstverlening van het OCMW (voorbeelden: kinderdagverblijf, poetshulp, thuismaaltijden, woonzorgcentrum, serviceflats, advies en administratieve hulp met uitkeringen en formaliteiten, budgetbegeleiding, energiefonds, art.60,…) of die bij het OCMW slechts één enkele tussenkomst aanvragen in het kader van deze toelage (bijvoorbeeld: aanvraag voor ten laste neming van een sportabonnement,…) kunnen dus eveneens van deze maatregel genieten.

Wel moet het feit dat ze OCMW-gebruiker zijn aantoonbaar zijn via bepaalde bewijsstukken (bijvoorbeeld inschrijving in het register, beslissing, elementen uit dossier, ...).

Het komt aan het OCMW toe om de staat van behoeftigheid van de persoon na te gaan en om de billijkheid af te wegen bij het toekennen van een welbepaald voordeel.

Bijzonderheden:

  • Personen die onwettig op het grondgebied verblijven, behoren niet tot de doelgroep
  • Bewoners LOI

Asielzoekers en niet begeleide minderjarige vreemdelingen die in een lokaal opvanginitiatief verblijven overeenkomstig de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen behoren niet tot de doelgroep. De toelage vanuit FEDASIL om de kosten van deze bewoners te dekken, moet ook worden gebruikt om de kosten te dekken in het kader van activiteiten ter bevordering van maatschappelijke participatie en sociale activering.

  • Activiteiten gericht op een gemengd publiek

Indien het OCMW een activiteit organiseert of ondersteunt gericht op een gemengd publiek, d.i. samengesteld uit gebruikers en niet-gebruikers, dan kan enkel de financiering ten behoeve van de gebruikers ten laste worden genomen. Indien de deelnemers duidelijk kunnen gedefinieerd worden, dan moet er een verdeelsleutel toegepast worden op de gemaakte kosten volgens het aantal gebruikers. Bijvoorbeeld: bij een groep van 20 personen waarvan er 6 tot de doelgroep behoren, kan 6/20 van de uitgave ten laste worden genomen. Indien de deelnemers niet duidelijk kunnen gedefinieerd worden, dan moet men een verdeelsleutel toepassen aan de hand van een raming. De motivering voor de raming moet de realiteit zoveel mogelijk benaderen en ter beschikking kunnen gesteld worden bij een controle vanuit de administratie.

4. Activiteiten

4.1 Bevorderen van maatschappelijke participatie

Hieronder begrijpt men alle activiteiten en initiatieven die erop gericht zijn om de OCMW-gebruikers te betrekken in het maatschappelijke leven en hen volwaardig deel te laten uitmaken van de samenleving, door hen te laten deelnemen aan culturele, sportieve en sociale activiteiten en hun toegang tot nieuwe informatie- en communicatietechnologieën te bevorderen.

Meer bepaald kan de toelage aangewend worden voor :

1° de volledige of gedeeltelijke financiering van de deelname door de gebruikers aan sociale, sportieve of culturele  activiteiten

Het betreft hier een typisch individueel voordeel dat het OCMW kan toekennen.

2° de volledige of gedeeltelijke financiering van de deelname door de gebruikers aan sociale, culturele of sportieve verenigingen met inbegrip van lidgeld en de voor de deelname noodzakelijke benodigdheden en uitrustingen

Ook hier gaat het om een individueel voordeel en ligt de klemtoon op lidgelden en benodigdheden voor deelname aan verenigingen ( verzekering, materiaal, vervoerskosten, …).

Onder “verenigingen” wordt hier verstaan het traditionele verenigingsleven: jeugdbeweging, cultuurkringen, vrouwenverenigingen, sportclubs, … maar ook minder formeel omschreven groepen zoals een leesclub.

3° de ondersteuning en de financiering van initiatieven van of voor de doelgroep op sociaal, cultureel of sportief vlak.

Onder deze categorie vallen alle activiteiten die door het OCMW zelf of via

onderaanneming voor de doelgroep worden georganiseerd.

4° de ondersteuning en de financiering van initiatieven die de toegang en de participatie van de doelgroep tot de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën bevorderen

4.2 Organiseren van collectieve modules

Met de toelage wil men het organiseren van collectieve modules aanmoedigen, dewelke de individuele begeleiding – al dan niet in het kader van de geïndividualiseerde projecten voor maatschappelijke integratie – kunnen aanvullen.

Collectieve modules worden in deze context gedefinieerd als een samenhangend geheel van meerdere activiteiten die in groepsverband worden uitgevoerd met het oog op het bereiken van een welbepaald doel (= trajectmatige benadering). Het aspect van de groepsdynamiek is hierbij zeer belangrijk. De deelnemers worden in functie van het thema en het beoogde resultaat geselecteerd onder de OCMW-gebruikers.

Het is de bedoeling dat een deelnemer aan een collectieve module een zekere kennis, vaardigheid, inzicht, gedragsverandering, … verwerft die hij in zijn dagelijks leven kan toepassen. Dat hij met andere woorden evolueert, een zekere vooruitgang boekt, hij na afloop van de collectieve module verder staat dan bij de aanvang ervan. Met “een meetbare vooruitgang geboekt hebben” wordt dan ook de vaststelling van een positieve evolutie bedoeld die terug te voeren is op het deelnemen aan een collectieve module.

Voorbeelden van dergelijke modules zijn cursussen en workshops rond budgetbeheer, gezonde voeding, taalverwerving, attitudetraining, omgaan met gezag, zelfstandig het openbaar vervoer nemen, opwaarderen van het zelfbeeld …

Bijzonderheden:

1. Onderscheid sociale – professionele activering

Met de zesde Staatshervorming werd de bevoegdheid van professionele activering overgeheveld naar de Gewesten. Bijgevolg kunnen er vanuit het federale niveau geen initiatieven meer gefinancierd worden die onder het bevoegdheidsdomein ‘professionele activering’ vallen.

De grens tussen professionele en sociale activering wordt hierbij als volgt getrokken:

- vallen onder sociale activering: vooropleidingen en workshops gericht op het ontwikkelen en bijbrengen van algemene vaardigheden, alsook vaardigheden die voorbereiden op een professioneel traject (vb. werken rond taal, zelfvertrouwen en positief zelfbeeld, rond (arbeids)attitude, stiptheid, leren omgaan met gezag, rond communicatievaardigheden, mobiliteit, sollicitatietraining, …) → kosten komen in aanmerking voor de toelage voor participatie en sociale activering

- vallen onder professionele activering: vooropleidingen die uitsluitend gericht zijn op het verwerven van beroepsspecifieke vaardigheden (vb. vooropleiding bouw, horeca) en eigenlijke beroepsopleidingen → kosten komen niet in aanmerking voor de toelage voor participatie en sociale activering aangezien ze zich volledig op het domein van de professionele activering bevinden

2. Collectieve module versus collectieve actie

Eénmalige activiteiten, zoals uitstappen of bijeenkomsten (vb. Sinterklaasfeesten) behoren niet tot het luik 'collectieve modules' volgens de hierboven vermelde definitie, aangezien hier geen sprake is van een trajectmatige aanpak. Ze kunnen wel geplaatst worden binnen het luik 'bevorderen van maatschappelijke participatie'.

3. Niet enkel voor deelnemers met GPMI

Het is géén verplichting dat de deelnemers aan collectieve modules een GPMI hebben. Mensen gewoon in begeleiding bij het OCMW zonder GPMI kunnen dus ook deelnemen.

4.3 Bestrijden van kinderarmoede

Het gedeelte van de toelage dat voorbehouden wordt voor de bestrijding van kinderarmoede kan aangewend worden voor volgende initiatieven:

1° de volledige of gedeeltelijke financiering van maatschappelijke dienstverlening om de maatschappelijke integratie van kinderen van gebruikers via deelname aan sociale programma’s te bevorderen.

Worden inzonderheid bedoeld:

- de maatschappelijke dienstverlening in het kader van de deelname aan sociale programma's;

- de maatschappelijke dienstverlening in het kader van onderwijsondersteuning;

- de maatschappelijke dienstverlening in het kader van psychologische ondersteuning voor het kind of voor de ouders in het kader van de raadpleging van een specialist;

- de maatschappelijke dienstverlening in het kader van paramedische ondersteuning;

- de  maatschappelijke dienstverlening in het kader van pedagogische ondersteuning.

2° de volledige of gedeeltelijke financiering van initiatieven met of voor kinderen van gebruikers om hun maatschappelijke integratie te bevorderen. Worden inzonderheid bedoeld de kosten voor het opzetten van acties met het oog op de sociale integratie van kansarme kinderen.

 

Voor voorbeelden van toegelaten activiteiten, zie de lijst op www.mi-is.be, bij de rubriek ‘documenten’ : https://www.mi-is.be/nl/tools-ocmw/uniek-jaarverslag.

Het gaat hier om een niet-limitatieve lijst, de toelage kan ook gebruikt worden voor activiteiten die niet in de lijst zijn opgenomen, voor zover deze in overeenstemming zijn met de doelstelling van de maatregel.

5. Aanwending van de toelage

Het OCMW kan zelf de accenten van het plaatselijke beleid bepalen, zowel bij het bepalen van de prioritaire doelgroepen die zich in een achtergestelde situatie bevinden en waarvoor een tussenkomst noodzakelijk is, als bij het bepalen van het gedeelte van de toelage dat aan de respectieve luiken wordt besteed. De verplichte bestedingspercentages per luik zijn immers sinds het toelagejaar 2020 afgevoerd.

5.1 Toelageperiode

De toelageperiode loopt van 1 januari tot en met 31 december. Het is de datum van boeking van de uitgave (imputatiedatum) in de boekhouding van het OCMW die bepaalt op welk toelagejaar de activiteit wordt aangerekend en ingegeven in het Uniek Jaarverslag, ook wanneer een activiteit in het volgend jaar zal plaatsvinden.

Voorbeeld : de uitgaven voor de aankoop van bonnen zijn ingeschreven in de boekhouding van het jaar 2018 en zullen worden aangerekend op de toelage voor het jaar 2018. Dat de bonnen pas in 2019 zullen aangewend worden, vormt geen probleem.

5.2 Personeelskosten

Wat de verantwoording van de personeelskosten betreft in het kader van de toelage, zijn de uitgangspunten als volgt :

  1. Bevorderen van de participatie en sociale activering + Bestrijden van kinderarmoede
  • maximum 10 % van het bedrag dat binnen het respectieve luik werd verantwoord
  1. Organiseren van collectieve modules
  • maximum 50% van het totale toelagebedrag, beperkt tot het verantwoord bedrag voor collectieve modules

Personeelskosten die in aanmerking komen in het kader van het luik ‘collectieve modules’ zijn deze die betrekking hebben op:

- het voorbereiden van de collectieve modules (zoeken naar partners, samenstellen cursus selecteren van de doelgroep,...),

- het 'animeren' van de collectieve modules,

- het organiseren van werkoverleg tussen begeleiders,

- het opmaken van de sociale balans bij aanvang (in groep of individueel) voor deelnemers waarvoor het OCMW geen bijzondere toelage ontvangt in het kader van het GPMI,

- het meten van de geboekte vooruitgang (in groep of individueel) na afloop van de collectieve module voor deelnemers waarvoor het OCMW geen bijzondere toelage ontvangt in het kader van het GPMI.

Het aangegeven bedrag moet kunnen worden verantwoord aan de hand van de reële loonkosten (via loonstroken) en in verhouding tot de bestede tijd.

Om dubbele subsidiëring te vermijden, kunnen voor de deelnemers waarvoor het OCMW een bijzondere toelage ontvangt in het kader van het GPMI, geen kosten ingebracht worden van het personeel dat op individuele basis instaat voor het evalueren en meten van de individuele vooruitgang van deelnemers.

5.3 Samenwerking met partnerorganisaties - uitbesteding

De OCMW’s kunnen ervoor kiezen om een activiteit volledig of gedeeltelijk uit te besteden aan een externe organisatie met het oog op de bevordering van de participatie en sociale activering van de gebruikers.

Om deze samenwerking te formaliseren, moet er een samenwerkingsovereenkomst opgemaakt worden waarin duidelijk vermeld staat waaruit de geleverde diensten zullen bestaan, wanneer en in welke vorm ze zullen geleverd worden, welke doelgroep er wordt geviseerd en wat daar financieel tegenover zal staan. Deze samenwerkingsovereenkomst moet op verzoek van de inspectiedienst of in geval van een “on desk” controle kunnen voorgelegd worden.

Daarnaast is het OCMW als overheidsinstantie ook verplicht om te voldoen aan de wet op de overheidsopdrachten.

Indien het OCMW een beroep doet op een externe partner die vergoed wordt voor de gemaakte kosten, dan moet het OCMW controle uitoefenen op de partner overeenkomstig de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige toelagen.

Omdat het niet de bedoeling is dat de toelage voor participatie en sociale activering wordt aangewend om de reguliere werking van vzw’s te financieren, zijn de overheadkosten (of beheerskosten) beperkt tot maximaal 10% van het totale factuurbedrag.

De loonkosten van het personeel van de externe partner worden beschouwd als werkingskosten. De loonkosten van het OCMW-personeel worden beschouwd als loonkosten.

5.4 Investeringen

Uitgaven voor uitrustingsmateriaal en gereedschap ten dienste van het OCMW kunnen op de toelage voor participatie en sociale activering aangerekend worden voor zover het verbruiksgoederen betreft die eenmalig als werkingskost in de gewone boekhouding worden ingeschreven. Dat kan gaan over materiaal allerhande zoals kantoormateriaal, klein gereedschap, en dergelijke meer. Dergelijke uitgaven worden dan beschouwd als werkingskosten.

Investeringsuitgaven kunnen niet op de toelage voor participatie en sociale activering worden aangerekend. Met investeringen worden uitgaven bedoeld voor de aanschaf van goederen die langer dan één jaar worden gebruikt en in de OCMW-boekhouding worden afgeschreven, dit in tegenstelling tot verbruiksgoederen.

Dit is een belangrijke wijziging ten opzichte van de voorgaande jaren toen de kosten voor investeringen voor een maximum bedrag van 500€ (zonder BTW) op de toelage voor participatie en sociale activering konden aangerekend worden.

5.5 Cumul met andere toelagen

Het OCMW kan verschillende toelages voor personeelskosten of andere kosten cumuleren, op voorwaarde dat deze cumulatie niet meer bedraagt dan 100% van de loonkosten of de kosten van de activiteit.

6. Resultaatindicatoren

Om een beeld te krijgen van het aantal gebruikers dat gebruik heeft gemaakt van een bepaalde maatregel, moeten er bij de verantwoording in het Uniek Jaarverslag een aantal gegevens ingevuld worden die betrekking hebben op de doelgroep.

Zo moet er per activiteit het aantal deelnemers ingegeven worden. Het moet gaan om één getal, tekst wordt niet aanvaard.

Om de resultaten van de opgezette collectieve modules te kunnen evalueren, worden er bij de verantwoording in het Uniek Jaarverslag kwantitatieve gegevens opgevraagd (resultaatindicatoren).

Per collectieve module moet opgegeven worden hoelang de collectieve module duurt (uitgedrukt in dagen), hoeveel personen hebben deelgenomen, hoeveel personen hebben afgehaakt en hoeveel deelnemers een meetbare vooruitgang hebben geboekt. Op basis van het ingevoerde verantwoord bedrag, wordt de gemiddelde kost per deelnemer berekend. Deze gegevens zullen gebruikt worden om het gevoerde beleid te kunnen evalueren en eventueel bij te sturen indien nodig.

Om de evolutie van een deelnemer te meten, is het OCMW niet verplicht om één welbepaald instrument te gebruiken maar is het vrij in de keuze van het meetinstrument, voor zover dit instrument het mogelijk maakt om te evalueren of de deelnemer al dan niet vooruitgang heeft geboekt op het vlak van maatschappelijke integratie en sociale activering. Het algemene principe is een meting bij aanvang en na afloop van de collectieve module, waarbij de evolutie wordt afgezet tegenover de beginsituatie.

Indien de collectieve module meerdere actiedomeinen behelst, dan moet het actiedomein waarop de collectieve module in hoofdzaak betrekking heeft, gekozen worden.

→ om een beeld te verkrijgen van de werkelijke kost per deelnemer moet het verantwoorde bedrag in de tabel de totale kost van de collectieve module weergeven (m.a.w. de werkings- én personeelskosten). Het totaal verantwoorde bedrag in de tabel moet overeenkomen met de totale kost van de activiteiten zoals opgegeven in het formulier, waar het dan verder moet opgesplitst worden in werkings- en personeelskosten.

→ de gevraagde gegevens voor het luik collectieve modules in het rekenblad dienen uitsluitend voor de opgave van de resultaatindicatoren in de vorm van kwantitatieve gegevens en niet ter verantwoording van gemaakte kosten in het kader van collectieve modules (in tegenstelling tot de luiken ‘maatschappelijke participatie’ en ‘kinderarmoede’)

7. Invoer in het Uniek Jaarverslag

Zie dit punt in de handleiding van het Uniek Jaarverslag - punt 4.7:  https://www.mi-is.be/nl/tools-ocmw/uniek-jaarverslag, onder het tabblad ‘documenten’.

Indien u hier nog geen antwoord gevonden hebt op uw vraag kunt u steeds de algemene website bezoeken waar u ook een onderdeel 'FAQ' vindt: www.mi-is.be. Het spreekt voor zich dat u zich ook steeds kunt richten tot de FrontOffice via vraag@mi-is.be of 02/5088585.