Sociale Activering

Toelage ter bevordering van de participatie en de sociale activering van OCMW-gebruikers

1. Wat?

Via een jaarlijks toelagebesluit wordt een toelage ter beschikking gesteld van de OCMW’s. Deze toelage kan aangewend worden voor de financiering van initiatieven ter bevordering van de participatie en de sociale activering van OCMW-gebruikers. De toelageperiode loopt telkens van 1 januari tot en met 31 december.

Het jaarlijks beschikbare budget hiervoor wordt onder de OCMW’s verdeeld volgens volgende verdeelsleutel:

  • 75 % op basis van het aantal gerechtigden op een leefloon als bedoeld door de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of op een financiële maatschappelijke hulp terugbetaald door de staat in het kader van artikel 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in de gemeente op datum van 1 januari van het voorgaande jaar;

 

  • 25 % op basis van het aantal rechthebbenden op een verhoogde verzekeringstegemoetkoming als bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, in de gemeente op 1 januari van het voorgaande jaar.

Deze verdeelsleutel is evolutief in de tijd – de parameter wordt gemeten op 1 januari van het voorgaande jaar – en volgt de werkelijkheid op de voet. De verdeelsleutel vertrekt van een objectief criterium dat een aanwijzing vormt voor de armoedegraad in een bepaalde stad of gemeente en voor de werklast van het OCMW.
Het toegekende bedrag per OCMW wordt als bijlage bij het koninklijk besluit gevoegd.

 

Bijzonderheid:

  • Overgangsmaatregel 2017 en 2018: compensatiebesluit

De toelage voor participatie en sociale activering werd in 2017 grondig hervormd. Om een zekere continuïteit te garanderen voor de opgezette initiatieven, is er voor gekozen om bij wijze van overgangsmaatregel, een ‘compenserend’ bedrag te voorzien voor de jaren 2017 en 2018. Dit ‘compenserend’ bedrag wordt toegekend ter ondersteuning van de OCMW’s die na de toepassing van de nieuwe verdeelsleutel, een substantieel minder grote toelage kregen ten opzichte van 2016.

 

Zo werd een basisbedrag toegekend via het koninklijk besluit van 17 januari 20171 op basis van de nieuwe verdeelsleutel.  Via het koninklijk besluit van 24 september 20172 werd een ‘compenserend’ bedrag toegekend aan de OCMW’s die hiervoor in aanmerking kwamen.

 

2. Doel van de toelage

De doelstelling van de toelage is om de OCMW’s te ondersteunen in de uitbouw van een beleid van participatie en sociale activering. Binnen dit algemene kader zijn er drie beleidsprioriteiten:

2.1 Bevorderen van maatschappelijke participatie

De toelage kan aangewend worden voor volgende initiatieven ter bevordering van de maatschappelijke participatie van OCMW-gebruikers:

  1. de volledige of gedeeltelijke financiering van de deelname door de gebruikers aan sociale, sportieve of culturele manifestaties;
  2. de volledige of gedeeltelijke financiering van de deelname door de gebruikers aan sociale, culturele of sportieve verenigingen met inbegrip van lidgeld en de voor de deelname noodzakelijke benodigdheden en uitrustingen;
  3. de ondersteuning en de financiering van initiatieven van of voor de doelgroep op sociaal, cultureel of sportief vlak;
  4. de ondersteuning en de financiering van initiatieven die de toegang en de participatie van de doelgroep tot de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën bevorderen.
     

2.2 Organiseren van collectieve modules

Deze toelage kan aangewend worden voor de financiering van het organiseren van collectieve modules, dewelke de individuele begeleiding in het kader van de geïndividualiseerde projecten voor maatschappelijke integratie kunnen aanvullen.

Collectieve modules worden in deze context gedefinieerd als een samenhangend geheel van activiteiten die in groepsverband worden uitgevoerd met het oog op het bereiken van een welbepaald doel. Het aspect van de groepsdynamiek is hierbij zeer belangrijk. In die zin vormen collectieve modules die goed begeleid en gestuurd worden en naar een welbepaald doel toewerken, een bijzonder zinvolle aanvulling op individuele begeleiding.

Voorbeelden van dergelijke modules zijn groepswerk collectieve schuldenregeling, kookateliers, cursussen gericht op taal, attitudetraining, omgaan met gezag, zelfstandig het openbaar vervoer nemen, stiptheid, opwaarderen van het zelfbeeld…

 

2.3 Bestrijden van kinderarmoede

Het gedeelte van de toelage dat voorbehouden wordt voor de bestrijding van kinderarmoede kan aangewend worden voor volgende initiatieven:

  1. de volledige of gedeeltelijke financiering van maatschappelijke dienstverlening om de maatschappelijke integratie van kinderen van gebruikers via deelname aan sociale programma’s te bevorderen.

Worden inzonderheid bedoeld:

  • de maatschappelijke dienstverlening in het kader van de deelname aan sociale programma's;
  • de maatschappelijke dienstverlening in het kader van onderwijsondersteuning;
  • de maatschappelijke dienstverlening in het kader van psychologische ondersteuning voor het kind of voor de ouders in het kader van de raadpleging van een specialist;
  • de maatschappelijke dienstverlening in het kader van paramedische ondersteuning;
  • de steun bij de aankoop van pedagogisch materiaal en spellen.

 

      2. de volledige of gedeeltelijke financiering van initiatieven met of voor kinderen van gebruikers om hun maatschappelijke integratie te bevorderen. Worden inzonderheid bedoeld de kosten voor het opzetten van acties met het oog op de sociale integratie van kansarme kinderen.

 
Opgelet:


Met de zesde Staatshervorming werd de bevoegdheid van professionele activering overgeheveld naar de Gewesten. Bijgevolg kunnen er vanuit het federale niveau geen initiatieven meer gefinancierd worden die onder het bevoegdheidsdomein professionele activering vallen. Initiatieven voor sociale activering kunnen daarentegen nog wel in aanmerking komen voor financiering.
De grens tussen professionele en sociale activering wordt hierbij als volgt getrokken:
Vallen onder sociale activering: vooropleidingen en workshops gericht op het ontwikkelen en bijbrengen van algemene vaardigheden, alsook vaardigheden die voorbereiden op een professioneel traject (vb. werken rond taal, zelfvertrouwen en positief zelfbeeld, communicatievaardigheden, mobiliteit, (arbeids)attitudetraining, sollicitatietraining, …).

=> Komen in aanmerking voor de toelage voor participatie en sociale activering

Vallen onder professionele activering: vooropleidingen die uitsluitend gericht zijn op het verwerven van beroepsspecifieke competenties (vb. vooropleiding bouw, horeca) en eigenlijke beroepsopleidingen.

 => Komen NIET in aanmerking voor de toelage voor participatie en sociale activering aangezien ze zich volledig op het domein van de professionele activering bevinden

3. Voor wie?

De toelage richt zich tot de gebruiker van het OCMW in de ruime zin, met name de persoon die gebruik maakt van gelijk welke vorm van openbare dienstverlening die behoort tot de opdrachten van het OCMW. Die dienstverlening moet in de ruimst mogelijke betekenis begrepen worden en mag niet beperkt worden tot personen die recht hebben op een leefloon (of een andere sociale uitkering).

Personen die geen recht hebben op leefloon maar toch een beroep doen op een dienstverlening van het OCMW (zoals kinderdagverblijf, poetshulp, thuismaaltijden, rustoord, serviceflats, advies en administratieve hulp met uitkeringen en formaliteiten, budgetbegeleiding, gas- en electriciteitsfonds,  art.60,…) kunnen dus ook een voordeel genieten in het kader van deze maatregel.

Het komt aan het OCMW toe om de billijkheid af te wegen bij het toekennen van een welbepaald voordeel.

 

Bijzonderheden:

  • Personen die onwettig op het grondgebied verblijven, behoren niet tot de doelgroep

  • Bewoners LOI

         Asielzoekers en niet begeleide minderjarige vreemdelingen die in een lokaal opvanginitiatief verblijven overeenkomstig de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen behoren niet tot de doelgroep aangezien deze personen aanspraak kunnen maken op de materiële hulp die in dat kader wordt aangeboden (zoals huisvesting, medische, maatschappelijke en psychologische begeleiding en de toekenning van een dagvergoeding). 

  • Activiteiten gericht op een gemengd publiek

Indien het OCMW een activiteit organiseert of ondersteunt gericht op een gemengd publiek, d.i. samengesteld uit gebruikers en niet-gebruikers, dan kan enkel de financiering ten behoeve van de gebruikers ten laste worden genomen. Indien de deelnemers duidelijk kunnen gedefinieerd worden, dan moet er een verdeelsleutel toegepast worden op de gemaakte kosten volgens het aantal gebruikers. Bijvoorbeeld: bij een groep van 20 personen waarvan er 6 tot de doelgroep behoren, kan 6/20 van de uitgave ten laste worden genomen. Indien de deelnemers niet duidelijk kunnen gedefinieerd worden, dan moet men een verdeelsleutel toepassen aan de hand van een raming. De motivering voor de raming moet de realiteit zoveel mogelijk benaderen en ter beschikking kunnen gesteld worden bij een controle vanuit de administratie.

  • Resultaatindicatoren

Om een beeld te krijgen van het aantal gebruikers dat gebruik heeft gemaakt van een bepaalde maatregel, moeten er bij de verantwoording in het uniek jaarverslag een aantal gegevens ingevuld worden die betrekking hebben op de doelgroep.
Zo moet er per activiteit het aantal deelnemers ingegeven worden. Het moet gaan om één getal, tekst wordt niet aanvaard.
 
Verder dient er ook per luik ingevuld te worden hoeveel van de deelnemers recht hebben op leefloon en hoeveel er worden opgevolgd in het kader van een individueel traject, al dan niet via een GPMI. Een individueel traject wordt hierbij als volgt omschreven: een individuele en gerichte begeleiding waarbij er wordt gewerkt naar bepaalde doelstellingen die dan ook geëvalueerd worden, al dan niet schriftelijk vastgelegd in een contract met betrekking tot een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI). De inhoud van dergelijk traject hangt uiteraard af van de doelstellingen die samen met de gerechtigde worden geformuleerd.
 
De bedoeling van deze opdeling is een zicht te krijgen op hoeveel van de OCMW-gebruikers die met de toelage bereikt worden (1) gerechtigd zijn op een leefloon en (2) begeleid worden op basis van een trajectmatige aanpak. Een persoon die gerechtigd is op een leefloon en daarbij begeleid wordt op basis van een trajectmatige aanpak, moet tweemaal opgegeven worden. Die cijfers zullen veeleer een verhouding aangeven dan wel exact zijn want dubbeltellingen zullen voorkomen wanneer men vertrekt van het aantal gebruikers per activiteit om het aantal gebruikers per luik vast te stellen.
 
In geval van twijfel kan het OCMW ook een schatting geven aan de hand van een percentage.

4. Aanwending van de toelage

Het staat het OCMW vrij om de prioritaire doelgroepen die zich in een achtergestelde situatie bevinden en waarvoor een tussenkomst noodzakelijk is, af te bakenen. Het OCMW kan dus zelf de accenten van het plaatselijke beleid bepalen.

Desalniettemin,  is de toegekende toelage verplicht te besteden aan specifieke beleidsprioriteiten, namelijk:

 

  • Collectieve modules               => min. 25% - max. 50%

                                                           => Personeelskosten: max. 100%
 
Minimum 25% en maximaal 50 % van de toelage is verplicht te besteden aan het organiseren van collectieve modules.
Het toelagebedrag binnen dit luik van minimum 25 % tot maximaal 50 % kan integraal (voor 100 %) besteed worden aan personeelskosten.
 

  • Kinderarmoede                       => min. 25%

                                                       => Personeelskosten: max. 10%

 

Minimum 25% van de toelage is verplicht te besteden aan de bestrijding van kinderarmoede.

Van deze minimum 25 %, te besteden aan kinderarmoede, kan hoogstens 10 % besteed worden aan personeelskosten.

 

  • Maatschappelijke participatie       => max. 50%

                                                                   => Personeelskosten: max. 10%

 

Het restbedrag dat maximum 50% van de toelage kan behelzen, is vrijelijk te besteden binnen het luik bevorderen van maatschappelijke participatie en bestrijding van kinderarmoede.

Van dit stuk toelagebedrag dat hoogstens 50 % van het totale toelagebedrag mag bedragen, kan hoogstens 10 % besteed worden aan personeelskosten.

 

Afhankelijk van de prioriteiten op niveau van het OCMW, zijn er verschillende mogelijkheden om de toelage aan te wenden. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat een OCMW ervoor opteert om 50% van de toelage te besteden aan de organisatie van collectieve modules en 50% aan de bestrijding van kinderarmoede. Of 25% te besteden aan collectieve modules en 75% aan initiatieven ter bestrijding van kinderarmoede.

Maar het OCMW dient zich wel te houden aan de opgelegde minimumpercentages - nl. min. 25% te besteden aan collectieve modules en minimum 25% aan kinderarmoede - want bij niet gebruik van deze opgelegde minima, gaan deze bedragen verloren. Of anders gezegd, indien het OCMW minder besteedt aan de omschreven activiteiten dan de voorziene minima per luik, dan wordt het verschil tussen het vereiste minimum en het werkelijk bestede percentage in mindering gebracht van het bedrag van de toegekende toelage.

              

Bijzonderheden:

  • ‘Kleine’ OCMW’s zijn niet gebonden aan deze bestedingscriteria:

Uitzondering hierop zijn de OCMW’s die een budget toegewezen krijgen gelijk aan of minder dan 5000 €. Deze OCMW’s zijn niet gebonden aan de hierboven vermelde opdeling. Bijgevolg kunnen zij het volledig toegekende bedrag vrijelijk besteden binnen de krijtlijnen van het uitvoeringsbesluit. Bedoeling hiervan is de kleine OCMW’s soepelheid te bieden bij de besteding van de toelage. De bestedingscriteria die gelden voor personeelskosten blijven wel van toepassing.
 
Bijvoorbeeld: indien een OCMW met een bedrag kleiner of gelijk aan 5000 € beslist om in 2017 100% van de toegekende middelen te besteden aan de organisatie van collectieve modules en in 2018 100% aan de bestrijding van kinderarmoede, dan is het OCMW vrij om dit te doen. Het moet zich dan wel houden aan de bestedingscriteria die gelden voor de personeelskosten, overeenkomstig de keuzen die het maakt inzake activiteiten en doelstellingen. Zo kan in het gegeven voorbeeld het kleinere OCMW in 2017, indien het dat wil, 100 % van de toelage verantwoorden aan de hand van personeelskosten (want de gekozen activiteit is het organiseren van collectieve modules) en kan het in 2018 hoogstens 10 % van het toelagebedrag verantwoorden aan de hand van personeelskosten vermits de beleidskeuze in 2018 het bestrijden van kinderarmoede behelst.
 
 

  • Deze uitzondering blijft behouden wanneer meerdere ‘kleine’ OCMW’s hun financiële middelen groeperen. Kleinere OCMW’s die een samenwerkingsovereenkomst sluiten om de toegekende financiële middelen te bundelen om gemeenschappelijke initiatieven te ontwikkelen, zullen het gebundeld toelagebedrag vrijelijk kunnen besteden binnen de krijtlijnen van het toelagebesluit, overeenkomstig de uitzondering, beschreven in het punt hierboven. Kleinere OCMW’s beschikken namelijk over een grotere autonomie inzake de aanwending van de toelage (zie voorgaand punt), een voordeel dat behouden blijft bij schaalvergroting. Zo kunnen kleinere OCMW’s ervoor kiezen om de financiële middelen te bundelen voor de aanwerving van een personeelslid dat kan ingezet worden voor alle deelnemende OCMW’s.

 
 

  • Overgangsmaatregel 2017 voor ‘kleine’ OCMW’s die door de compensatie 5000€ overschrijden:

Voor 2017 zal soepelheid aan de dag gelegd worden bij de verantwoording van de toelage voor de OCMW’s waarvan het totale toelagebedrag 5000€ overstijgt dóór de toekenning van een compenserend toelagebedrag via het koninklijk besluit van 24 september 2017. Dit betekent dat de OCMW’s die zich in deze situatie bevinden voor 2017 niet gehouden zijn aan de bestedingscriteria, bepaald bij artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit van 10 januari 2017 houdende maatregelen ter bevordering van de participatie en sociale activering van de gebruikers van de dienstverlening van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor het jaar 2017. Deze OCMW’s worden dus voor de verantwoording van de toelage voor het jaar 2017 gelijkgesteld met een OCMW waarvan het totale toegekende toelagebedrag gelijk is aan of minder bedraagt dan 5.000 €.
 
 

  • OCMW's met een bedrag kleiner dan 7500€ zijn niet verplicht om de resultaatindicatoren in te vullen in het uniek jaarverslag en dienen enkel het toegekende bedrag per luik (en niet op detailniveau van activiteit) te verantwoorden.

 

  • Cumul met andere toelagen is mogelijk , maar geen dubbele financiering

 
Kosten die reeds zijn aangerekend op een ander subsidiekanaal (vb. 10% GPMI, ESF, Maribel,..) kunnen niet opnieuw (voor een tweede maal dus) aangerekend worden op de toelage voor participatie en maatschappelijke participatie. Wat letterlijk zou neerkomen op het dubbel (tweemaal) subsidiëren van eenzelfde kost.

5. Collectieve modules

  • Collectieve module versus collectieve actie

Collectieve modules worden in de context van de toelage “participatie en sociale activering” gedefinieerd als een samenhangend geheel van activiteiten die in groepsverband worden uitgevoerd met het oog op het bereiken van een welbepaald doel.

Bij het organiseren van collectieve modules wordt een trajectmatige aanpak beoogd waarmee er wordt gestreefd naar een welbepaald doel/resultaat binnen een welbepaalde periode en waarvoor men een welbepaald doelpubliek wil aanspreken.

Eénmalige activiteiten, zoals uitstappen, bijeenkomsten of cursussen, behoren niet tot het luik 'collectieve modules' volgens deze definitie, aangezien hier geen sprake is van een trajectmatige aanpak. Ze kunnen wel geplaatst worden binnen het luik 'bevorderen van maatschappelijke participatie' (bijvoorbeeld eenmalig kookatelier, Sinterklaasfeest, uitstap naar de dierentuin of een pretpark).

Dus, indien het gaat om een éénmalige collectieve activiteit zonder dat er sprake is van een trajectmatige aanpak, komen ze niet in aanmerking voor de collectieve modules.

 

  • Niet enkel voor deelnemers met GPMI

Het is géén verplichting dat de deelnemers aan collectieve modules een GPMI hebben. Mensen gewoon in begeleiding bij het OCMW zonder GPMI kunnen dus ook deelnemen. De maatregel "participatie en sociale activering" richt zich tot de gebruikers van het OCMW in ruime zin en dat geldt ook voor het luik 'collectieve modules'. Vandaar het woord "kunnen" in de zin "een deel van de middelen moet worden besteed aan collectieve modules, dewelke de individuele begeleiding in het kader van de geïndividualiseerde projecten voor maatschappelijke integratie (GPMI's) kunnen aanvullen".

 

  • Resultaatindicatoren

Om de resultaten van de opgezette collectieve modules te kunnen evalueren, worden er bij de verantwoording in het uniek jaarverslag kwantitatieve gegevens opgevraagd (resultaatindicatoren).

Per collectieve module moet opgegeven worden hoelang de collectieve module duurt (uitgedrukt in dagen), hoeveel personen hebben deelgenomen, hoeveel personen hebben afgehaakt en hoeveel deelnemers een meetbare vooruitgang hebben geboekt. Aan de hand van het ingevoerde verantwoord bedrag wordt de gemiddelde kost per deelnemer berekend. Deze gegevens zullen gebruikt worden om het gevoerde beleid te kunnen evalueren en eventueel bij te sturen indien nodig.

Om de evolutie van een deelnemer te meten, is het OCMW niet verplicht om één welbepaald instrument te gebruiken maar is het vrij in de keuze van het meetinstrument, voor zover dit instrument het mogelijk maakt om te evalueren of de deelnemer al dan niet vooruitgang heeft geboekt op het vlak van maatschappelijke integratie en sociale activering. Het algemene principe is een meting bij aanvang en na afloop van de collectieve module, waarbij de evolutie wordt afgezet tegenover de beginsituatie.

 

Bijzonderheden:

  • Wanneer een collectieve module zich over twee kalenderjaren uitstrekt, vult men enkel de gegevens in die verband houden met de collectieve modules die werden afgerond in het toelagejaar. Dit wil dus zeggen dat voor een collectieve module die niet werd afgerond binnen het betreffende kalenderjaar, er nog geen gegevens zullen kunnen ingevuld worden met betrekking tot de deelnemers.
     
  • Indien de collectieve module meerdere actiedomeinen behelst, dan moet het actiedomein waarop de collectieve module in hoofdzaak betrekking heeft, gekozen worden.
     
  • Om te kunnen bepalen of de deelnemers aan een collectieve module al dan niet een leefloon ontvangen, neemt men als meetpunt de situatie op het moment van aanvang van de collectieve module.

 

6.Personeelskosten

Wat de verantwoording van de personeelskosten betreft in het kader van de toelage, zijn de uitgangspunten als volgt :

- een te verantwoorden bedrag van maximum 10 % van het maximaal toegestane bedrag voor het werkdomein 'participatie en sociale activering' (nl. 50% van de totale toegekende toelage)


- een te verantwoorden bedrag van maximum 10 % van het maximaal toegestane bedrag voor het werkdomein 'kinderarmoede' (nl. 75% van de totale toegekende toelage)


- een te verantwoorden bedrag dat kan oplopen tot 100 % van het maximaal toegestane bedrag voor het werkdomein 'collectieve modules' (nl. 50% van de totale toegekende toelage).

Enkel voor het luik collectieve modules moet de verhouding aangetoond worden tussen de ingebrachte personeelskost en de door dat personeelslid geïnvesteerde tijd. Bijvoorbeeld : van een personeelslid dat 60 % van zijn tijd investeert in het voorbereiden, begeleiden en opvolgen van collectieve modules, zal 60 % van zijn totale personeelskost kunnen ingebracht worden. Dit bedrag moet kunnen verantwoord worden aan de hand van de daadwerkelijke loonkost (via loonfiches) en in verhouding tot de bestede tijd.

Personeelskosten die in aanmerking komen in dit kader zijn deze die betrekking hebben op:

  • het voorbereiden van de collectieve modules (zoeken naar partners, samenstellen cursus selecteren van de doelgroep,...),
  • het 'animeren' van de collectieve modules,
  • het organiseren van werkoverleg tussen begeleiders,
  • het opmaken van de sociale balans bij aanvang (in groep of individueel) voor deelnemers waarvoor het OCMW geen bijzondere toelage ontvangt in het kader van het GPMI,
  • het meten van de geboekte vooruitgang (in groep of individueel) na afloop van de collectieve module voor deelnemers waarvoor het OCMW geen bijzondere toelage ontvangt in het kader van het GPMI.

 
Om dubbele subsidiëring te vermijden, kunnen voor de deelnemers waarvoor het OCMW een bijzondere toelage ontvangt in het kader van het GPMI, geen kosten ingebracht worden van het personeel dat op individuele basis instaat voor het evalueren en meten van de individuele vooruitgang van deelnemers.

7. Toelageperiode

De toelageperiode loopt telkens van 1 januari tot en met 31 december van het desbetreffende toelagejaar. Voor de verantwoording van de toelage is het van belang dat de factuur die betrekking heeft op de activiteit, is ingeschreven in de boekhouding van het OCMW (imputatiedatum) binnen de toelageperiode. De imputatiedatum in de boekhouding bepaalt bijgevolg op welk toelagejaar de activiteit wordt aangerekend, ook wanneer een aantal prestaties nog in het volgend jaar moeten plaatsvinden.

Vb. aankoop bonnen of aanrekening van prestaties van een partner worden ingeboekt in 2017 dus worden aangerekend op de toelage voor 2017. Dat de bonnen pas in 2018 zullen aangewend worden of de gefactureerde prestaties pas in 2018 zullen uitgevoerd worden, vormt geen probleem.

8. Herverdeling van het niet benut saldo

De herverdeling van het toelage-overschot, dit wil zeggen het samengeteld bedrag van de toelagen per OCMW die niet gebruikt werden, werd voor de eerste maal toegepast voor het jaar 2016, overeenkomstig artikel 11, § 3, van het koninklijk besluit van 15 februari 2016 houdende maatregelen ter bevordering van de participatie en sociale activering van de gebruikers van de dienstverlening van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor het jaar 2016.

Voor 2017 zal opnieuw een herverdeling worden doorgevoerd volgens dezelfde beginselen, met dien verstande dat bedragen onder de 25€ niet zullen uitbetaald worden.

Concreet zal er dan voor alle OCMW’s worden nagegaan :

  • welk bedrag ze op een juiste manier hebben verantwoord;
  • of ze het volledig toegekende toelagebedrag hebben benut;
  • of ze meer dan het volledig toegekende toelagebedrag hebben verantwoord.

 

Alle niet aangewende toelagebedragen worden samengeteld (= toelage-overschot) evenals alle correct verantwoorde bedragen die het toegekende toelagebedrag overstijgen (= activiteitenoverschot). De twee worden tegenover elkaar afgezet om te zien of er een herverdeling kan doorgevoerd worden (beide parameters moeten een positief getal vormen).

Indien het toelage-overschot groter is dan of gelijk aan het activiteitenoverschot zal het activiteitenoverschot volledig vergoed worden aan het centrum. Indien het toelage-overschot kleiner is dan het activiteitenoverschot, wordt het toelage-overschot herverdeeld over de OCMW's met een activiteitenoverschot volgens de oorspronkelijke verdeelsleutel die aan de basis ligt van de toekenning van het toelagebedrag per OCMW en waarbij het aandeel dat elk centrum maximaal kan ontvangen, beperkt is tot het bedrag van de activiteiten, dat correct verantwoord werd en de aan het centrum toegekende toelage overschrijdt.

 

Voor 2018 is er geen herverdeling meer voorzien. Aangezien de OCMW’s het toegekende bedrag optimaler gebruiken en het niet benut saldo bijgevolg steeds kleiner wordt, is er voor gekozen om deze herverdeling niet meer toe te passen voor de toelage 2018. Voor de verantwoording van de toelage voor 2018 zal bijgevolg enkel rekening gehouden worden met de verantwoording van het toegekende bedrag en zal er geen herverdeling worden toegepast. Er zal dan ook geen rekening meer gehouden worden met het bedrag dat meer dan het volledig toegekende bedrag werd verantwoord.

9. Hoe verantwoorden in geval van uitbesteding?

De OCMW’s kunnen ervoor kiezen om een activiteit volledig of gedeeltelijk uit te besteden aan een externe organisatie met het oog op de bevordering van de participatie en sociale activering van de gebruikers.

Om deze samenwerking te formaliseren, moet er een samenwerkingsovereenkomst opgemaakt worden waarin duidelijk vermeld staat waaruit de geleverde diensten zullen bestaan, wanneer en in welke vorm ze zullen geleverd worden, welke doelgroep er wordt geviseerd en wat daar financieel tegenover zal staan.

Indien het OCMW een beroep doet op een externe partner die vergoed wordt voor de gemaakte kosten, dan moet het OCMW controle uitoefenen op de partner overeenkomstig de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige toelagen.

Omdat het niet de bedoeling is dat de toelage voor participatie en sociale activering wordt aangewend  om de reguliere werking van vzw’s te financieren, zijn de overheadkosten (of beheerskosten) beperkt tot maximaal 10% van het totale factuurbedrag.

De loonkosten van het personeel van de externe partner worden beschouwd als werkingskosten. De loonkosten van het OCMW-personeel worden beschouwd als loonkosten.

Een door beide partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst moet op vraag van de inspectiedienst of bij controle on desk kunnen worden voorgelegd.

Hiernaast is het OCMW als overheidsinstantie eveneens gebonden aan de wet op de overheidsopdrachten.

10. Investeringen

De kosten voor investeringen die kunnen aangerekend worden op de toelage voor participatie en sociale activering, zijn beperkt tot een maximum bedrag van € 500 (excl. BTW).3

Dit investeringsbedrag geldt voor het ganse toelagebedrag en niet per luik.

De investering dient net als de activiteiten te worden ingebracht in één van de categorieën met de vermelding van de aard van de investering.

Indien het gaat over een investering die het OCMW wil doen ten behoeve van de externe partner waarmee het samengewerkt, geldt dezelfde regel. Met andere woorden, indien het OCMW voor de betreffende partner een investering doet van € 500,  kan het OCMW voor zichzelf geen investering meer doen.

Wanneer het OCMW een tussenkomst voorziet bij individuele investeringsaankopen voor gebruikers, dan worden deze uitgaven beschouwd als investeringen voor de gebruikers en is het bedrag beperkt tot € 500 (excl. BTW) per persoon.

11. Verwijzingen

  • Koninklijk besluit van 10 januari 2017 houdende maatregelen ter bevordering van de participatie en sociale activering van de gebruikers van de dienstverlening van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor het jaar 2017 (toelage 2017)
     
  • Koninklijk besluit van 24 september 2017 houdende toekenning van een financiële tegemoetkoming aan bepaalde centra voor maatschappelijk welzijn als gevolg van de hervorming van de maatregelen ter bevordering van de participatie en sociale activering van de gebruikers van de dienstverlening voor het jaar 2017 (compensatie 2017)
     
  • Omzendbrief van 20 december 2016 betreffende de toelage ter bevordering van de participatie en sociale activering van OCMW-gebruikers vanaf 2017 (hervorming algemeen)
     
  • Omzendbrief van 29 mei 2017 betreffende de toelage ter bevordering van de participatie en sociale activering van OCMW-gebruikers in 2017 - Resultaatindicatoren in de vorm van kwantitatieve gegevens (resultaatindicatoren)
     
  • Administratieve onderrichtingen betreffende het uniek jaarverslag - toegang tot de web applicatie  uniek jaarverslag 2018 (toegang uniek jaarverslag)

 

  • 1. Koninklijk besluit van 10 januari 2017 houdende maatregelen ter bevordering van de participatie en sociale activering van de gebruikers van de dienstverlening van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor het jaar 2017
  • 2. Koninklijk besluit van 24 september 2017 houdende toekenning van een financiële tegemoetkoming aan bepaalde centra voor maatschappelijk welzijn als gevolg van de hervorming van de maatregelen ter bevordering van de participatie en sociale activering van de gebruikers van de dienstverlening voor het jaar 2017
  • 3. Aangezien de toelage binnen de Rijksmiddelenbegroting bedoeld is voor lopende uitgaven mag de € 500 niet worden overschreden.

Indien u hier nog geen antwoord gevonden hebt op uw vraag kunt u steeds de algemene website bezoeken waar u ook een onderdeel 'FAQ' vindt: www.mi-is.be. Het spreekt voor zich dat u zich ook steeds kunt richten tot de FrontOffice via vraag@mi-is.be of 02/5088585.