GPMI

 

1. Het GPMI: essentieel instrument van de maatschappelijke integratie

1.1. Wat is een GPMI?

De toekenning en het behoud van het leefloon kunnen gepaard gaan met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI).

  • Dit wordt opgemaakt op verzoek van de betrokken persoon of op initiatief van het OCMW.
  • Het GPMI is een samenwerking tussen de betrokken persoon en het OCMW.

Het GPMI bestaat sinds 1993 en werd grondig hervormd door de wet van 21 juli 2016 tot wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en het Koninklijk besluit van 3 oktober 2016 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

Het GPMI is een begeleidings- en opvolgingsinstrument ‘op maat’. Middels het GPMI kan de betrokkene actief begeleid worden naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en maatschappelijke integratie en indien mogelijk ook in de richting van een inschakeling in het arbeidsproces.

Het GPMI wordt in onderling overleg opgesteld, rekening houdend met de wensen en de behoeften van de verschillende partijen. Het betreft dus echt een Win-Win-project, met wederzijdse verbintenissen tussen de begunstigde en het OCMW EN tussen het OCMW en de begunstigde.

1.2. Doel van het GPMI

Het GPMI gaat uit van de verwachtingen, de vaardigheden, de bekwaamheden en de behoeften van de betrokkene en van de mogelijkheden van het OCMW.

Het GPMI kan:

  • uiteindelijk leiden tot een arbeidsovereenkomst. Dit is een GPMI dat bedoeld is voor mensen die nog niet over de werkhouding en -werkvaardigheden beschikken die nodig zijn om onmiddellijk te worden tewerkgesteld, of;
     
  • tot doel hebben de kansen van de betrokken persoon op beroepsinschakeling te vergroten (punt 2.3.1.).

Wat studenten betreft, is het GPMI bedoeld om de kansen op beroepsinschakeling te vergroten door studies te volgen. In dit opzicht vereist het Koninklijk Besluit van 11 juli 2002 dat aan bijkomende elementen wordt voldaan (punt 2.3.3.).

Het GPMI zal bij voorkeur betrekking hebben op de inschakeling in het beroepsleven, of indien een inschakeling in het beroepsleven niet mogelijk is, heeft het GPMI betrekking op de integratie in de maatschappij.

Voorbeelden van de integratie in de maatschappij: voor een dakloze die eerst nog opnieuw moet aanpassen aan een meer regelmatig leven, een verslaafde die eerst geholpen moet worden met zijn verslavingsprobleem, …

Bij de opmaak van het GPMI moet gewaakt worden over een correcte evenredige verhouding tussen hetgeen van de betrokkene verwacht wordt en de door het OCMW toegekende hulp.

1.3. Hoe moet een GPMI worden opgemaakt?

1.3.1 Voorafgaandelijk een behoefteanalyse uitvoeren

Wat wordt verstaan onder "een analyse van de verwachtingen, vaardigheden, bekwaamheden en behoeften van de persoon" voorafgaand aan het opstellen van het GPMI?

Vóór het opstellen van het GPMI en met het oog op een maximale individualisering ervan, moet de maatschappelijk werker een analyse van de behoeften en van de mogelijkheden van de gerechtigde van het recht op maatschappelijke integratie uitvoeren. Artikel 11 van de wet van 26 mei 2002 bepaalt immers : "Het project gaat uit van de verwachtingen, de vaardigheden, de bekwaamheden en de behoeften van de betrokken persoon en van de mogelijkheden van het centrum.”. Artikel 11, § 1 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 verduidelijkt eveneens dat "alvorens er een contract wordt gesloten, het centrum een beoordeling van de behoeften van de persoon moet hebben gemaakt".

Deze analyse van de behoeften evenals van de mogelijkheden van een persoon (kort “behoefteanalyse”) is van groot belang omdat aan de hand daarvan de maatschappelijk werker niet alleen de vragen, noden en behoeften alsook belemmeringen van de begunstigde in kaart kan brengen maar ook de mogelijkheden, bekwaamheden en vaardigheden waarover hij of zij beschikt. Zo kan de maatschappelijk werker samen met de begunstigde nagaan wat hij of zij wil zijn en wil doen en wat hem of haar verhindert om zijn/haar doelstelling(en) te bereiken.

Op die manier zal de maatschappelijk werker een duidelijke diagnose kunnen stellen van de sociale toestand van de begunstigde en relevante actievoorstellen kunnen opstellen in het kader van een GPMI.

Verschillende thema’s kunnen aan bod komen worden naargelang van de realiteit van de betrokken persoon, zoals: de gezinssituatie, gezondheidstoestand, huisvestingstoestand, budgettaire toestand, administratieve toestand, mobiliteitstoestand, opleidingssituatie, beroepssituatie, enz.

Andere invalshoeken zijn eveneens mogelijk om een volledig overzicht te hebben van de moeilijkheden maar ook van het potentieel van de begunstigde: cultureel leven en ontspanning, zelfbeeld en zelfvertrouwen, communicatievaardigheden, toegang tot de digitale wereld, deel uitmaken van een leefwereld en een sociaal netwerk, in staat zijn zich te organiseren, te plannen, enz.

Via al deze thema's zullen de "stabiliserende" en "destabiliserende" elementen (of sterke en zwakke punten) van de begunstigde worden belicht. De stabiliserende elementen zijn elementen die ondersteunend en versterkend kunnen werken bij het bepalen van de te bereiken doelstellingen in het kader van het GPMI. De destabiliserende elementen zijn de elementen waarop de doelstellingen van het GPMI zijn toegespitst.

De behoefteanalyse mag niet worden verward met het sociaal onderzoek, dat wordt uitgevoerd vóór de toekenning van een leefloon, en dat tot doel heeft na te gaan of aan alle toekenningsvoorwaarden is voldaan. Het doel van de behoefteanalyse is om precieze doelstellingen te bepalen met het oog op de uitvoering van een GPMI. Het sociaal onderzoek en de behoefteanalyse moeten dus duidelijk van elkaar worden onderscheiden.

Welke vorm deze analyse van de behoeften en mogelijkheden aanneemt, maakt weinig uit. Ofwel neemt de analyse de vorm aan van een afzonderlijk document, "sociale balans" of "behoefteanalyse" genoemd of een andere benaming, gekozen door het OCMW; ofwel vormt deze analyse een onderdeel van het sociaal verslag. Wat telt is dat kan worden aangetoond dat de hierboven toegelichte behoefteanalyse wel degelijk werd uitgevoerd vóór het opstellen van het GPMI en dat de erin opgenomen doelstellingen beantwoorden aan de elementen die in deze analyse worden aangehaald.

1.3.2 Procedurele vereisten

  • Het GPMI wordt voorbereid door de met het dossier belaste maatschappelijk werker in overleg met de aanvrager. De maatschappelijk werker informeert de betrokkene over de inhoud, de draagwijdte en de gevolgen van het GPMI voordat het ondertekend of gewijzigd wordt
     
  • Het OCMW zorgt ervoor dat de noodzakelijke voorwaarden tot uitvoering van het GPMI vervuld zijn. Dit houdt in dat het OCMW de betrokkene voorziet van alle nodige middelen (bijvoorbeeld het inschrijvingsgeld, de informatie over waar en wanneer de betrokkene op de afspraak wordt verwacht, …) opdat de aan de betrokkene opgelegde verbintenissen tijdig bereikt kunnen worden.
     
  • Indien het mogelijk is en voor zover de kosten vergelijkbaar zijn, wordt wat betreft de middelen die moeten worden ingezet voor de realisatie van het GPMI rekening gehouden met de vrije keuze van de aanvrager.
     
  • Indien het GPMI een verplicht karakter heeft, dan moet het worden afgesloten binnen de drie maanden vanaf de datum van de beslissing van het OCMW dat de persoon voldoet aan de voorwaarden van het leefloon.

    Voorbeeld: Op 17 november 2016 beslist het bevoegde orgaan van het OCMW dat de betrokkene recht heeft op maatschappelijke integratie. Bovendien is er met betrekking tot het dossier een verplichting tot het opstellen van een GPMI. Het OCMW heeft dan tot en met 16 februari 2017 de tijd om met de betrokkene een GPMI af te sluiten.
     
  • De betrokkene beschikt over een bezinningstermijn van 5 kalenderdagen voorafgaand aan de ondertekening van het GPMI.
     
  • De betrokkene heeft het recht gehoord te worden door het bevoegde OCMW-orgaan vooraleer het een beslissing neemt met betrekking tot het GPMI.
     
  • Het GPMI beschrijft de verschillende stappen en fasen die de betrokkene moeten voorbereiden op een beroepsactiviteit.

1.3.3. Inhoudelijke vereisten

Het GPMI vermeldt minstens de volgende elementen:

  1. De handtekening van de verschillende partijen die de overeenkomst afsluiten, minstens het OCMW en de betrokkene.
  2. Indien een derde partij betrokken is bij het GPMI wordt deze ook samen met het aandeel in de uitvoering en, in voorkomend geval in de evaluatie, ervan vermeld.
  3. De maatschappelijk werker die als persoonlijke begeleider optreedt en het personeelslid (de personeelsleden) dat (die) hem vervangt (vervangen) bij tijdelijke afwezigheid.
  4. De afspraken tussen de verschillende partijen alsook de inspanningen waartoe de verschillende partijen zich verbinden.
  5. De te halen doelstellingen waarvoor het contract wordt aangegaan. De gemaakte afspraken moeten gekaderd worden in de doelstellingen van het contract.
  6. De activiteitendomeinen waarop het project betrekking heeft.
  7. De duur van het GPMI.
  8. De wijze en de tijdstippen waarop de evaluatie van de uitvoering van het GPMI plaatsvindt.
  9. Eventuele aanvullende steun met betrekking tot vereisten van het GPMI. Dit houdt in dat ten minste het inschrijvingsgeld, een eventuele verzekering, de kosten van geschikte werkkledij en reiskosten die inherent zijn aan het volgen van een beroepsopleiding en/of het opdoen van werkervaring door het OCMW worden gedekt, tenzij deze door een derde worden betaald. Deze oplijsting is niet exhaustief.

1.3.4. Vorm van het GPMI

Het GPMI bestaat uit een schriftelijke overeenkomst tussen de betrokken partijen die de overeenkomst ook ondertekenen.

Dit zijn minstens het OCMW en de gerechtigde op maatschappelijke integratie. Bovendien kunnen ook andere partijen participeren om bepaalde doelstellingen van het project te realiseren.

De overeenkomst is met het oog op eenvormigheid conform aan de kaderovereenkomst die door de raad voor maatschappelijk welzijn werd aangenomen.

Het resultaat van het afgesloten GPMI is een gemeenschappelijk akkoord tussen de verschillende partijen.

 LET OP

Het GPMI betreft geen statische overeenkomst, maar wel een dynamisch contract dat gedurende de uitvoering steeds kan gewijzigd worden, rekening houdend met de concrete situatie van de betrokkene op dat moment en mits instemming van elke partij.

1.3.5. Duur van het GPMI

Het GPMI moet de tijd dekken die nodig is om de doelstellingen te bereiken. Het OCMW en de begunstigde kunnen eventueel in onderling overleg een doelstellingenschema opstellen.

Wanneer het recht op maatschappelijke integratie wordt ingetrokken, wordt het GPMI automatisch stopgezet. Met andere woorden, zodra het recht op maatschappelijke integratie wordt ingetrokken, eindigt het GPMI automatisch.

Kan het OCMW een vorig GPMI opnieuw bijwerken?

Als de persoon voordien het recht op maatschappelijke integratie genoot waarbij een GPMI werd opgestart, daarna een korte periode werkte en opnieuw steun aanvraagt bij het OCMW, kan het vorige GPMI bijgewerkt worden. De maatschappelijk werker en de begunstigde moeten de verschillende elementen van het vorige GPMI opnieuw bekijken om te zien of het nog steeds van toepassing is, en het ondertekenen.

Wanneer de periode van onderbreking in de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie minder dan 3 maanden bedraagt (bijvoorbeeld omwille van werk of verhuis naar het buitenland), is de behoefteanalyse niet nodig.

1.3.6. Evaluatie van het GPMI

De sociaal assistent belast met het dossier voert regelmatig, en minstens drie keer per jaar, samen met de betrokkene en, in voorkomend geval, met de tussenkomende derde(n) een evaluatie uit. Bovendien maakt het OCMW ten minste eens per jaar een globale evaluatie van de resultaten van het GPMI.

Op verzoek van de betrokkene moet de sociaal assistent hem of haar een onderhoud toekennen binnen de vijf werkdagen.

Moet men, in het kader van een GPMI van korte duur (voorbeeld: project van drie maanden), verplicht de drie evaluaties uitvoeren?

Neen, de drie evaluaties zijn enkel verplicht per jaar.

1.3.7. Wijzigingen als gevolg van een verhuis

Het GPMI eindigt van rechtswege op de dag dat het OCMW niet langer bevoegd is om het leefloon te verstrekken.

Het project dat beëindigd wordt om reden van verhuis, wordt in het geval er een nieuw OCMW bevoegd wordt en indien er ingevolge van de toepassing van de wet een verplichting tot het afsluiten van een GPMI bestaat, met de instemming van de betrokkene overgemaakt aan het nieuw bevoegde OCMW. In dit geval wordt de betrokkene steeds geacht zijn instemming te hebben gegeven. Indien hij niet wenst dat het GPMI wordt overgemaakt, moet hij dit melden aan het nieuw bevoegde OCMW. Dit OCMW moet nagaan of het mogelijk en wenselijk is om de modaliteiten van het beëindigde contract op te nemen in het nieuwe contract tussen het bevoegde OCMW en de betrokkene.

Moet men bij een verhuis dit beschouwen als een nieuwe aanvraag bij het nieuwe OCMW, gelet op de nieuwe bepalingen over het GPMI?

Wanneer de persoon vanaf 25 jaar, bij een verhuis, zijn recht op maatschappelijke integratie niet heeft onderbroken gedurende meer dan 3 maanden, dan is het nieuw bevoegde OCMW niet verplicht om een overeenkomst te sluiten in verband met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie.

2. Het facultatief of verplicht karakter van het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie

2.1. Principe

  • Het GPMI is verplicht voor jongeren onder de 25 jaar indien het toekennen van het recht op maatschappelijke integratie gekenmerkt wordt door het volgen van studies, betrekking heeft op een traject van professionele inschakeling dat binnen een bepaalde periode uitmondt in een arbeidsovereenkomst of indien de betrokkene de laatste drie maanden geen recht op maatschappelijke integratie heeft genoten.

    Een traject dat betrekking heeft op een professionele inschakeling die binnen een bepaalde periode uitmondt in een arbeidsovereenkomst kan bijvoorbeeld het volgende inhouden: een jongere die, gelet op zijn professionele situatie, nog niet klaar is om te werken omdat hij voorafgaand nog een geïndividualiseerd parcours moet doorlopen om ’s ochtends te leren opstaan, omdat hij een ontwenningskuur moet volgen, …

  • Voor personen vanaf 25 jaar is het GPMI enkel verplicht indien de betrokkene de laatste drie maanden geen recht op maatschappelijke integratie heeft genoten.
     
  • Het is steeds mogelijk om een facultatief GPMI op te stellen. Zodra één der partijen vraagt om een GPMI op te stellen krijgt het project een verplicht karakter voor de andere partij. Als de betrokkene om een GPMI vraagt en het OCMW van oordeel is dat er geen GPMI kan worden afgesloten omwille van gezondheids- of billijkheidsreden, moet het OCMW motiveren waarom het geen GPMI heeft afgesloten met de betrokkene.

2.2. In het geval van twee personen die samen een leefloon categorie 3 ontvangen 

Het GPMI is een individueel recht. Elke partner heeft het recht een GPMI te ondertekenen.

Wat de verplichting tot GPMI betreft, moet voor elke partner apart bekeken worden of een GPMI verplicht is.

2.3. Uitzondering om redenen van gezondheid of billijkheid

In bepaalde gevallen zal er geen werkbereidheid moeten zijn omwille van gezondheids- of billijkheidsredenen.

Deze regels zijn ook van toepassing op het afsluiten van een GPMI. Het is echter belangrijk dat de aangehaalde gezondheids- of billijkheidsredenen het niet-afsluiten van een GPMI rechtvaardigen. Het is immers mogelijk dat de betrokkene gezondheids- of billijkheidsredenen aanhaalt die rechtvaardigen dat hij niet werkbereid moet zijn, maar die redenen zijn niet altijd voldoende om te rechtvaardigen dat er met de betrokkene geen GPMI kan worden afgesloten.

Het OCMW dat beslist dat de persoon wegens gezondheids- of billijkheidsredenen niet kan deelnemen aan het GPMI, moet dit motiveren in het sociaal verslag en in de beslissing van de OCMW-raad

  LET OP

Er is een dubbele motiveringsplicht: de motivering met betrekking tot de reden waarom de betrokkene niet kan deelnemen aan het GPMI is verschillend van de motivering omtrent het al dan niet kunnen werken In alle gevallen, zowel in het geval dat de persoon niet kan werken als in het geval waar hij of zij niet kan deelnemen aan een GPMI, zal het OCMW de toepassing van de uitzondering omwille van gezondheids- of billijkheidsredenen duidelijk moeten motiveren

Voorbeelden:

  • Iemand kampt met een zware drugsverslaving en kan niet worden tewerkgesteld, maar men kan wel een GPMI afsluiten waarin bepaald wordt dat de betrokkene een aantal stappen onderneemt om de drugsverslaving aan te pakken.
  • De betrokkene werkt en is dus per definitie werkbereid. Hij krijgt slechts een aanvullend leefloon. Omwille van billijkheidsredenen is het niet verplicht om een GPMI af te sluiten. Het is echter steeds mogelijk om een facultatief GPMI af te sluiten.
  • Het feit dat de betrokkene zich in een gesloten inrichting bevindt, kan een billijkheidsreden uitmaken om geen GPMI af te sluiten. Dit mag echter geen automatisme zijn: in het kader van een terugkeer in de maatschappij kan het interessant zijn om de betrokkene te laten deelnemen aan cursussen, lessen, …
  • Indien de betrokkene instaat voor de verzorging van een zwaar ziek kind of een zwaar ziek familielid waarmee men onder één dak woont, kan dit een billijkheidsreden zijn om geen GPMI af te sluiten.
  • Indien er voor een persoon vanaf 25 jaar reeds herhaaldelijk een GPMI werd afgesloten en de betrokkene voor een korte periode van enkele maanden geen recht op maatschappelijke integratie heeft genoten, omdat hij steeds gedurende enkele maanden heeft gewerkt en andere niet, dan is het mogelijk dat er op basis van billijkheidsredenen geen verplicht GPMI moet worden afgesloten. Het is echter steeds mogelijk om een facultatief GPMI af te sluiten.
  • Indien het OCMW na het sociaal onderzoek gevoerd te hebben van oordeel is dat het recht op maatschappelijke integratie slechts voor een korte en beperkte periode zal toegekend worden, kan er om billijkheidsredenen beslist worden om geen GPMI af te sluiten (bijvoorbeeld: de betrokkene krijgt binnen 1 maand een invaliditeitsuitkering, de betrokkene begint over 2 maanden te werken,…)
  • Is de betrokken persoon een gedetineerde met een elektronische enkelband, dan kan het OCMW overwegen dat het onmogelijk is om de doelstellingen van het GPMI te bereiken vanwege de omstandigheden die gepaard gaan met het dragen van de elektronische enkelband.
  • Deze lijst is niet exhaustief.

3. Het GPMI met een hoofddoelstelling gebaseerd op studies met een voltijds leerplan (studieproject)

3.1. ​​​​​​Wie is een student in de zin van het recht op maatschappelijke integratie?

Studies kunnen een billijkheidsreden zijn om af te zien van de voorwaarde dat men werkbereid moet zijn. Een begunstigde moet dus aan verschillende cumulatieve voorwaarden voldoen om als student in de zin van het recht op maatschappelijke integratie beschouwd te worden.

  • Hij of zij  moet jonger zijn dan 25 jaar op het moment van de aanvraag;
  • Hij of zij moet een studie met voltijds leerplan volgen (beginnen, hervatten of voortzetten);
  • Deze studies moeten gevolgd worden aan een onderwijsinstelling die erkend, georganiseerd of gesubsidieerd is door de Gemeenschappen;
  • Deze studies moeten bovendien de kansen op inschakeling in het beroepsleven vergroten.

3.2. GPMI voor personen jonger dan 25 jaar oud

Het gaat hier om een GPMI om de kansen van jongeren op de arbeidsmarkt te verhogen door hen de mogelijkheid te bieden om studies te volgen.

Het kan hier zowel gaan om het behalen van een diploma van secundair onderwijs als om het behalen van een diploma na het volgen van hogere studies.

3.3 Duur van GPMI

Het GPMI moet gelden voor de ganse duur van de studies.

Het kan gaan om één overeenkomst die mogelijkerwijze aangepast wordt gedurende de duur ervan, maar het kan ook gaan om verschillende aaneensluitende contracten.

3.4. Verplichtingen voor de jongere

In het GPMI moeten een aantal verplichtingen voor de jongere worden opgenomen.

Het gaat om volgende zaken:

  • De jongere verbindt zich er toe de lessen op regelmatige wijze te volgen, deel te nemen aan de examenzittijden en alle noodzakelijke inspanningen te leveren om te slagen. Hiervan kan enkel afgeweken worden om gezondheids- of billijkheidsredenen.
     
  • De jongere moet zich engageren om:
    • Zijn rechten te laten gelden op studietoelagen
    • De nodige stappen te zetten om te bekomen dat zijn eventuele kinderbijslag en/of onderhoudsgeld rechtstreeks aan hem wordt gestort indien er een relatiebreuk met de ouders is.
       
  • De jongere moet zijn werkbereidheid aantonen tijdens de periodes die verenigbaar zijn met zijn studies, tenzij dit niet mogelijk is wegens gezondheids- of billijkheidsredenen.
    Let op
    Deze voorwaarde moet individueel geval per geval nagegaan worden.
    Het is bijgevolg onwettig indien het OCMW als regel hanteert dat het recht op leefloon voor elke student gedurende één maand gestopt wordt gedurende de maanden juli en augustus.
     
  • De jongere moet het bewijs leveren van zijn inschrijving voor studies met voltijds leerplan aan een secundaire school, een hogeschool of universiteit.
    In de overeenkomst worden de gevolgde studies vermeld, alsook de onderwijsinstelling.

3.5. Welke soorten studies

Om als “student” beschouwd te worden in het kader van de RMI-wet dient de gevolgde studie cumulatief aan de volgende voorwaarden te voldoen:

  • Studies die de inschakelingskansen in het beroepsleven verhogen
  • Studies met een voltijds leerplan (aanvatten, hervatten of voortzetten)
  • In een door de gemeenschappen erkende, georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling
     
  • Studies die de inschakelingskansen in het beroepsleven verhogen

De Memorie van Toelichting van de RMI-wet verduidelijkt wat hiermee bedoeld wordt. De studies dienen “hun kansen op een eerste job te verhogen (om zich op de arbeidsmarkt in te schakelen moeten jongeren immers gestimuleerd worden om het hoogste scholings- of opleidingsniveau te bereiken terwijl zij tijdens deze overgangsperiode het leefloon behouden)."

Dit betekent dat niet alleen studies om het diploma secundair onderwijs te behalen kunnen gevolgd worden door de student met behoud van het leefloon, maar ook bachelor- én masterstudies.

Hoe dit precies ingevuld wordt, wordt aan de autonomie van de OCMW’s overgelaten. Hieronder worden enkel een aantal richtlijnen weergegeven:

  • Na het behalen van een bachelorsdiploma kan de student zich inschrijven voor een masteropleiding, inclusief de overstapjaren (zoals een schakelprogramma of een voorbereidingsprogramma) die nodig zijn om de master te kunnen aanvatten, mét behoud van het leefloon.
  • Het volgen van een specialisatiejaar kan enkel met behoud van leefloon indien deze de kansen op de arbeidsmarkt voor de student verhoogt.  Het volgen van een SLO (Specifieke Lerarenopleiding) wordt bijvoorbeeld aanzien als een specialisatiejaar dat de kansen op de arbeidsmarkt verhoogt en kan dus gevolgd worden mét behoud van het leefloon.

De studiekeuze komt de student toe, maar moet met het OCMW besproken worden. Het OCMW en de student leggen vervolgens samen een GPMI vast met betrekking tot de studies.

  • Studies met een voltijds leerplan (aanvatten, hervatten of voortzetten)

Studies met een voltijds leerplan

Opdat een student recht kan hebben op leefloon dient hij “studies met voltijds leerplan” te volgen. Het begrip “studie met voltijds leerplan” refereert naar de reglementering van de gemeenschappen en onderscheidt zich van andere types zoals deeltijds onderwijs of onderwijs voor sociale promotie. Het betreft het voltijds secundair onderwijs en het universitair en niet-universitair hoger onderwijs, voor zover ze door de betrokken gemeenschap beschouwd als studies met voltijds leerplan.

Om te voldoen aan het begrip “studies met voltijds leerplan” van art. 11, §2, a, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, moet de student ingeschreven zijn voor een opleiding die leidt tot een diploma (of een overeenstemmend getuigschrift) én moet hij effectief aanwezig zijn in de les.

Onder andere volgende studies worden gelijkgesteld met studies met voltijds leerplan:

  • De door het onderwijs voor sociale promotie georganiseerde dagopleidingen die leiden tot een overeenstemmend getuigschrift van het onderwijs met voltijds leerplan;
  • Alternerend leren.

Aanvatten, hervatten of voortzetten

Een student moet ingeschreven zijn en gedurende het gehele academiejaar blijven, voor een studie met voltijds leerplan in een door de Gemeenschappen erkende, georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling. Zoniet onderbreekt hij zijn studies en verliest hij zijn hoedanigheid van student. Ook indien zijn inschrijving behouden blijft, maar de student zelf aangeeft dat hij niet wil verder studeren of dat er objectieve elementen zijn die hierop wijzen (bv. inschrijving als werkzoekende bij de arbeidsbemiddelingsdienst (VDAB, Actiris, FOREM)) wordt dit als een onderbreking van zijn studies beschouwd.

In een door de Gemeenschappen erkende, georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling

De student moet  de studies volgen “in” een door de Gemeenschappen erkende, georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling. Afstandsonderwijs of studies onder examencontract voldoen dus niet aan deze voorwaarde, aangezien de student dan niet de lessen mag of kan volgen in de onderwijsinstelling.

Diegene die studies volgt aan een buitenlandse universiteit voldoet evenmin aan deze voorwaarde tenzij de studie kadert in een Erasmusstage of andere buitenlandse studiestage.

3.6. Verplichtingen voor het OCMW

In het GPMI worden ook een aantal verplichtingen opgenomen waartoe het OCMW zich verbindt.

Het gaat om volgende zaken:

  • Het GPMI bepaalt de wijze waarop het OCMW ondersteuning biedt op het vlak van de studies, eventueel in samenwerking met de onderwijsinstelling.
  • Het GPMI bepaalt de wijze waarop het OCMW begeleiding biedt aan de jongere in geval van relatiebreuk met zijn ouders, alsook de manier waarop het centrum in overleg met de student een bemiddelende rol kan opnemen.

3.7 Communicatie van resultaten

De jongere moet het OCMW binnen de zeven werkdagen op de hoogte brengen van zijn examenresultaten.
Op basis daarvan evalueert het OCMW het voorbije studiejaar en de verdere uitvoering van het project.

Bij twijfels omtrent de geschiktheid van de student voor de gevolgde studies kan het OCMW beroep doen op een derde om terzake professioneel advies te vragen.

 

4. Rol van de inspectiedienst van de POD MI met betrekking tot de contrôle van de GPMI's

Informatie met betrekking tot de controle is opgenomen in het geïntegreerde inspectiegids van de Inspectiedienst van de POD MI, dat regelmatig wordt bijgewerkt.

Zie ook artikel 57 van het Koninklijk Besluit van 11 juli 2002 betreffende de controle op de OCMW's.

U vindt deze gids onder deze link: inspectiehandleiding

Vraag:

Via deze mail willen wij melding maken van problemen met het opmaken van GPMI bij dossiers RMI.  Per 01 september 2016 werd in de dossiers RMI geen GPMI opgemaakt, omwille van problemen in de ondersteunende computerprogramma’s In enkele dossiers werd wel een beslissing tot opmaak GPMI genomen.  De begeleidende taken werden wel opgevolgd.  Er werd geen GPMI-code doorgegeven in de doorgestuurde beslissingen.

Momenteel willen wij de dossiers rechtzetten / regulariseren en worden de gemaakte afspraken, begeleidingen in een GPMI-contract gezet.  Kan er met terugwerkende kracht een GPMI-code ingegeven worden in lopende dossiers RMI?

Of wordt in elk dossier RMI een nieuwe beslissing genomen tot GPMI per dd 01/11/2017 – dit gekoppeld aan een nieuwe beslissing OCMW-Raad?

Antwoord :

dat hierop géén uitzondering kan gemaakt worden. Dit OCMW is één jaar de 10% ,extra kwijt. Mag niet meer retroactief rechtgezet worden

Vraag :

In een dossier leefloon werd een algemeen GPMI opgesteld in de tekst zelf staat dat het GPMI als ingangsdatum 01/12/2017. De datum van ondertekening is 21/11/2017.  In het verleden kregen we door dat we de extra toelage konden vragen vanaf de 1ste van de maand waarin het contract getekend werd.  Wil dit zeggen dat wij de verhoogde toelage van 10% mogen vragen in dit dossier vanaf 01/11/2017?

Of is dit toch vanaf 01/12/2017?

Antwoord :

Ja, inderdaad, u dient het formulier B terug door te sturen met ingang van 01/11/2017 voor de betoelaging van 10% extra te ontvangen. Echter de periode tussen de ondertekening en de opmaak van het GPMI, mag niet meer dan een maand zijn.

Als een persoon die geniet van het recht op maatschappelijke integratie gepaard met een GPMI, voor een korte periode werkt (met een intrekking van het recht) en vervolgens na zijn periode van werk, opnieuw een vraag voor RMI indient bij het OCMW, dan kan het vorige GPMI worden geactualiseerd. De maatschappelijke assistent en de begunstigde moeten de verschillende elementen van het vorig GPMI doorlopen om na te gaan of de doelstellingen dezelfde blijven en tekenen een document van instemming om dit GPMI opnieuw te activeren.

Deze re-activatie van het vorige GPMI (zonder een sociale balans uit te voeren) is mogelijk voor zover de onderbreking niet langer is dan 3 maanden.

Indien dit laatste wanneer kan dergelijk dossier dan stopgezet worden? Indien er vb. reeds een schorsing van 1 maand en daarna schorsing van 3 maand was.?

Indien iemand de afspraken in het kader van het GPMI niet naleeft, moeten eerst de in artikel 30, § 2, van de wet van 26/5/02 voorziene sancties toegepast worden. Indien betrokkene na 2 sancties de afspraken nog steeds negeert, moet het recht op een leefloon stopgezet worden.
Indien betrokkene voorwaarden om gerechtigd te zijn op een leefloon niet vervult én deze hebben niks te maken met hetgeen in het GPMI is afgesproken, dan kan het recht dadelijk stopgezet worden.

Indien u hier nog geen antwoord gevonden hebt op uw vraag kunt u steeds de algemene website bezoeken waar u ook een onderdeel 'FAQ' vindt: www.mi-is.be. Het spreekt voor zich dat u zich ook steeds kunt richten tot de FrontOffice via vraag@mi-is.be of 02/5088585.