Sociaal mazoutfonds

1. SOORT HUISHOUDEN EN SOORT INKOMEN

1.1. Huishouden

Er dient rekening gehouden te worden met de feitelijke samenstelling van het huishouden,zijnde iedereen die in dezelfde individuele woning of gezinswoning zijn hoofdverblijfplaats heeft. Hiertoe dient eerst het rijksregister te worden geraadpleegd alvorens in de samenstelling van het huishouden de nodige wijzigingen aan te brengen.

Personen die op een bepaald adres ingeschreven zijn, maar die stellen er niet meer te verblijven, dienen dit met alle mogelijke bewijsmiddelen (bijv. huurcontract, attest gemeente, …) aan te tonen.

 

1.2. Inkomen

Aangezien enkel de eerste drie categorieën tot de bevoegdheid van de OCMW’s blijven behoren, dienen de bruto belastbare gegevens verkregen via de gegevensstroom met de FOD Financiën in aanmerking te worden genomen. Indien de situatie van de aanvrager is veranderd, dienen de actuele inkomsten in aanmerking te worden genomen.

In de gevallen dat de gegevensstroom geen enkel gegeven verstrekt, dient er te worden gesteund op andere bewijsmiddelen. Een hiervan is het aanslagbiljet in de personenbelasting. Het bruto belastbaar inkomen kan dan bekomen worden door de som te maken van de bedragen die overeenstemmen met bepaalde codes op dit aanslagbiljet.

De hierna vermelde codes zijn de meest gebruikelijke, maar daarnaast kunnen nog andere codes voorkomen.

Belastingplichtige Echtgenoot Verklaring
1211 2211 Pensioen
1250 2250 Wedden en lonen
1260 2260 Werkloosheidsuitkeringen
1266 2266 Ziekte-en invaliditeitsuitkeringen
1270 2270 uitkeringen beroepsziekten - arbeidsongeval
1607 2607

Resultaat ( zelfstandigen)

Om te komen tot een brutobedrag dient volgende berekening te worden uitgevoerd :

bedrag van code 1607 X 100 gedeeld door 80

2. CATEGORIEEN

De bedragen die hier worden vermeld zijn de reeds geïndexeerde bedragen op 1.1.2018.

2.1. Categorie 1 : personen met recht op de verhoogde verzekeringstegemoetkoning

Er dient geen inkomensonderzoek gevoerd te worden in volgende gevallen:

 wanneer het huishouden geniet van het OMNIO-statuut;

 wanneer het huishouden bestaat uit een alleenwonende persoon (met of zonder kinderen ten laste) die geniet van het RVV-statuut;

 wanneer alle leden van het huishouden genieten van het RVV-statuut.

In alle andere gevallen dient er een inkomensonderzoek te gebeuren.

Dit inkomensonderzoek bestaat uit een onderzoek van het jaarlijks bruto belastbaar inkomen van alle leden van het huishouden. Dit inkomen mag niet hoger zijn dan € 18730,66 (vanaf 01/09/2018), verhoogd met € 3467,55 (vanaf 01/09/2018) per persoon ten laste.

Om als persoon ten laste te worden beschouwd, dient het netto inkomen lager te zijn dan € 3270 (vanaf 01/01/2019), de gezinsbijslag en het onderhoudsgeld voor kinderen niet meegeteld.

In deze categorie dient er geen rekening te worden gehouden met het onroerend vermogen van het huishouden.

2.2. Categorie 2 : personen met een laag inkomen

In deze categorie dient er in alle gevallen een inkomensonderzoek te gebeuren.

Dit inkomensonderzoek bestaat uit een onderzoek van het jaarlijks bruto belastbaar inkomen van alle leden van het huishouden.

Dit inkomen mag niet hoger zijn dan € 18730,66 (vanaf 01/09/2018), verhoogd met € 3467,55 (vanaf 01/09/2018) per persoon ten laste.

Om als persoon ten laste te worden beschouwd, dient het netto inkomen lager te zijn dan € 3270 (vanaf 01/01/2019), de gezinsbijslag en het onderhoudsgeld voor kinderen niet meegeteld.

In de tweede categorie en enkel in deze categorie dient er rekening gehouden te worden met het onroerend vermogen van het huishouden.

Indien de aanvrager of een lid van zijn huishouden, eigenaar is van één of meerdere onroerende goederen buiten de individuele woning of gezinswoning, wordt het niet-geïndexeerde kadastraal inkomen van deze goederen vermenigvuldigd met drie en toegevoegd bij het jaarlijks bruto belastbaar inkomen.

De gegevensstroom met de FOD Financiën geeft het bedrag van de niet-geïndexeerde kadastrale inkomens reeds vermenigvuldigd met drie.

Het volstaat dit bedrag op te tellen bij de bruto belastbare inkomsten.

2.3. Categorie 3 : personen met schuldoverlast

In de derde categorie gaat het om personen die aan volgende dubbele voorwaarde voldoen:

  •  de personen die een schuldbemiddeling overeenkomstig de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet of een collectieve schuldenregeling overeenkomstig de artikelen 1675/2 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, genieten

EN

  •  die bovendien niet in staat zijn hun verwarmingsfactuur te betalen.

Het OCMW dient de voorwaarde “niet in staat zijn hun verwarmingsfactuur te betalen” te beoordelen aan de hand van de behoeftigheid van het huishouden. Dit dient geattesteerd te worden in het sociaal verslag.

3. IN AANMERKING KOMENDE BRANDSTOFFEN

Het gaat om volgende brandstoffen:

a) huisbrandolie

  • in bulk: een verwarmingsbrandstof, ook stookolie of mazout genaamd, in vloeibare vorm, besteld in liter (grote hoeveelheid), voor het vullen van een brandstoftank;
  • aan de pomp: hetzelfde product als het hierboven toegelichte product, maar in kleine hoeveelheden gekocht (jerrycans van 5, 10 liter), gebruikt voor petroleumkachels;

b) verwarmingspetroleum (type c)

  •  in bulk: een verwarmingsbrandstof in vloeibare vorm, vooral gebruikt voor petroleumkachels, type Zibro-kamines (= op zich staande petroleumkachels zonder rookkanaal), besteld in liter (grote hoeveelheid), voor het vullen van een brandstoftank;
  • aan de pomp: hetzelfde product als het hierboven toegelichte product, maar in kleine hoeveelheden gekocht (jerrycans van 5, 10 liter), gebruikt voor petroleumkachels;

 

Opgelet:

  •  enkel verwarmingspetroleum van het type c komt in aanmerking, niet de overige types;
  •  als verwarmingspetroleum (type c) geleverd wordt samen met huisbrandolie, dan mag die bij de huisbrandolie worden opgeteld en in het informaticaprogramma worden ingegeven als huisbrandolie.

 

c) bulkpropaangas:

petroleumgas, verkocht in liter (grote hoeveelheid) voor het vullen van een brandstoftank.

Een additief dat afzonderlijk op de factuur vermeld staat, wordt niet in aanmerking genomen.

De volgende verwarmingsbrandstoffen zijn niet inbegrepen:

  •  aardgas via aansluiting op het stadsdistributienet;
  •  propaangas in gasflessen en butaangas in gasflessen.

4. IN AANMERKING KOMENDE WOONGELEGENHEDEN

4.1. Algemene regel

De maatregel is bedoeld voor personen die zelf de gevolgen van de prijsstijging van de in aanmerking komende brandstoffen dragen.

Bijgevolg wordt er geen verwarmingstoelage toegekend aan personen die verblijven:

  •  in een rusthuis;
  •  in een opvanghuis;
  •  in een ziekenhuis;
  •  of in elke andere woongelegenheid waar de inwoners verblijfskosten betalen of waarvoor werkingskosten worden toegekend.

 De toelage kan niet worden toegekend voor leegstaande woongelegenheden.

 De verwarmingstoelage is geen overdraagbaar recht. Het recht vervalt bij de dood van de begunstigde.

4.2. Appartementsgebouwen

Wanneer de factuur meerdere woonsten betreft, wordt de per woonst aan te rekenen

hoeveelheid brandstof in liter berekend aan de hand van de volgende formule:

 

Het totaal aantal liter in aanmerking komende brandstof,

vermeld op de factuur

X

1

_________

Het aantal woongelegenheden in het gebouw waar de factuur betrekking op

heeft

 

Dit doet zich voor wanneer de woning van de aanvrager deel uitmaakt van een gebouw met meerdere woongelegenheden. De aanvrager legt in dit geval een document aan het OCMW voor, waarin de eigenaar of beheerder van het gebouw het aantal woongelegenheden vermeldt waarop de factuur betrekking heeft.

Met het oog op het tijdig verkrijgen van de benodigde documenten, waaronder de leveringsfactuur, en met het oog op het informeren van mogelijke begunstigden, kan het nuttig zijn contact op te nemen met de sociale huisvestingsmaatschappijen.

5. VERWARMINGSPERIODE

Vanaf 1 januari 2009 is de verwarmingsperiode gelijk aan een kalenderjaar. Het is de leveringsdatum die de verwarmingsperiode bepaalt. Zo zal een levering gedaan in 2009 behoren tot de verwarmingsperiode 2009.

Als gevolg hiervan zullen de personen die reeds een toelage hebben gekregen voor een levering in de periode 1 september 2008 en 31 december 2008, een nieuwe toelage kunnen aanvragen voor een levering in 2009.

6. BEDRAG VAN DE VERWARMINGSTOELAGE

6.1. In aanmerking te nemen prijs

De in aanmerking te nemen prijs is de prijs die in elk concreet geval op de factuur wordt vermeld. De prijs is steeds BTW inbegrepen en eventuele kortingen dienen ook in rekening te worden gebracht.

Eventuele betalingsmodaliteiten hebben geen invloed op de toekenning van de toelage.

6.2.Bedrag van de toelage

De toekenning van een forfaitaire toelage voor brandstof aan de pomp sluit de toekenning van een toelage voor een levering van brandstof in bulk uit, en omgekeerd.

Er is geen interventiedrempel meer.

6.2.1. Toelage voor brandstof in bulk

Per huishouden en per verwarmingsperiode kan er maximum 1.500 liter brandstof in aanmerking genomen worden voor de toekenning van een verwarmingstoelage.

 

Prijs per liter vermeld op de factuur

 

Bedrag van de toelage per liter Maximumbedrag van de toelage per prijscategorie

< € 0,930

             14 cent               

                € 210

≥ € 0,930 en < € 0,955

             15 cent               

                € 225

≥ € 0,955 en < € 0,980

             16 cent                

                € 240

≥ € 0,980 en < € 1,005

             17 cent

                € 255

≥ € 1,005 en < € 1,030

             18 cent              

                € 270

≥ € 1,030 en < € 1,055

              19 cent  

                € 285

≥ € 1,055

              20 cent

               € 300

6.2.2. Toelage voor brandstof aan de pomp

De forfaitaire toelage voor huisbrandolie of verwarmingspetroleum (type c) aan de pomp bedraagt € 210.

Eén aankoopbewijs volstaat om recht te hebben op de forfaitaire toelage.

7. SOCIAAL ONDERZOEK EN BEWIJSSTUKKEN

7.1. Elementen gemeenschappelijk aan alle categorieën

Het OCMW gaat op basis van een sociaal onderzoek na of alle voorwaarden zijn vervuld.

Het OCMW gaat in het bijzonder na:

  •  of de betrokkene op het moment van de aanvraag tot één van de vier categorieën van de doelgroep behoort;
  •  of de betrokkene op het moment van de aanvraag zijn individuele woning of gezinswoning verwarmt met een van de in aanmerking komende brandstoffen;
  •  of het leveringsadres dat vermeld wordt op de factuur overeenstemt met het adres van de hoofdverblijfplaats van de betrokkene;
  •  of de aanvraagtermijn is nageleefd.

 

Volgende stukken dienen te worden aangebracht door de aanvrager:

  •  de identiteitskaart;
  •  de leveringsfactuur; 
  • indien nodig, een attest met vermelding van het aantal appartementen waarop de factuur betrekking heeft.

7.2. Elementen eigen aan iedere categorie

7.2.1. Categorie 1 : personen met recht op verhoogde verzekeringstegemoetkoming

Het OCMW gaat met behulp van het informaticaprogramma na of de aanvrager en de leden van zijn huishouden genieten van het recht op de verhoogde verzekeringstegemoetkoming (RVV) of van het OMNIO-statuut.

In bepaalde gevallen (zie punt 2.1.) dient er een onderzoek van het jaarlijks bruto belastbaar inkomen van het huishouden van de aanvrager te worden uitgevoerd. Dit inkomen zal worden verkregen via de gegevensstroom met de FOD Financiën.

Bij gebreke aan gegevens verkregen via de gegevensstroom of indien de situatie van de aanvrager is veranderd, kan er worden gesteund op volgende bewijsstukken:

  •  het meest recente aanslagbiljet in de personenbelasting;
  •  de loonfiche 281.10 of 281.xx afgeleverd door de werkgever of de instelling van sociale zekerheid;
  •  de meest recente loonfiche;
  •  het meest recente rekeninguittreksel met de storting van het loon of de ontvangen uitkering;
  •  ieder ander bewijsmiddel.

 

7.2.2. Categorie 2 : personen met een laag inkomen

Bij de tweede categorie dient het OCMW het jaarlijks bruto belastbaar inkomen van het huishouden van de aanvrager na te gaan.

Het bruto belastbaar inkomen en de onroerende inkomsten zullen worden verkregen via de gegevensstroom met de FOD Financiën. De gegevensstroom geeft het bedrag van de nietgeïndexeerde kadastrale inkomens reeds vermenigvuldigd met drie. Het volstaat dit bedrag op te tellen bij de bruto belastbare inkomsten.

Bij gebreke aan gegevens verkregen via de gegevensstroom of indien de situatie van de aanvrager is veranderd, kan er worden gesteund op volgende bewijsstukken:

  •  het meest recente aanslagbiljet in de personenbelasting;
  •  de loonfiche 281.10 of 281.xx afgeleverd door de werkgever of de instelling van sociale zekerheid;
  •  de meest recente loonfiche;
  •  het meest recente rekeninguittreksel met de storting van het loon of de ontvangen uitkering;
  •  ieder ander bewijsmiddel;
  •  het laatste aanslagbiljet inzake de onroerende voorheffing voor alle leden van het huishouden.

7.2.3. Categorie 3 : personen met een schuldoverlast

Bij de derde categorie is er een dubbel onderzoek:

  •  het OCMW dient na te gaan of de aanvrager geniet van een schuldbemiddeling overeenkomstig de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet of van een collectieve schuldenregeling;

EN

  •  er dient tevens te worden nagegaan of het huishouden niet in staat is zijn verwarmingsfactuur te betalen.

 

Het OCMW dient te steunen op volgende stukken:

  •  één van de volgende documenten:
  1.  hetzij de beschikking van toelaatbaarheid van de vordering tot collectieve schuldenregeling, als bedoeld in artikel 1675/6 van het Gerechtelijk Wetboek, uitgesproken ten opzichte van de aanvrager;
  2.  hetzij een attest van de persoon of de instelling als bedoeld in artikel 67 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, die de schuldbemiddeling verricht.
  •  een attest dat de behoeftigheid aantoont.

8. VERBOD OP CUMUL MET FORFAITAIRE VERMINDERINGEN

Naast de verwarmingstoelage bestaan er forfaitaire verminderingen die worden toegekend door de FOD Economie, afhankelijk van het type brandstof dat wordt gebruikt om de woning hoofdzakelijk te verwarmen. Deze forfaitaire verminderingen mogen niet worden gecumuleerd met de verwarmingstoelage.

Een kort overzicht:

Voor huisbrandolie, verwarmingspetroleum en bulkpropaangas:

 

  • Ofwel een verwarmingstoelage in het kader van het Sociaal Stookoliefonds toegekend door het OCMW:
    • Voorwaarden: voor personen die behoren tot één van de drie categorieën;
    • Bedrag: voor 1.500 liter, minimum € 210 en maximum € 300
    • Toekenning: door het OCMW.

  • Ofwel een forfaitaire vermindering toegekend door de FOD Economie:
    •     Bedrag: €105;
    •     Toekenning: door de FOD Economie, www.mineco.fgov.be.
    •     Voorwaarden:

               - het netto belastbaar inkomen van het gezin mag niet hoger zijn dan € 26.000 (te indexeren);

               - niemand van het gezin mag genieten van het sociaal tarief;

               - Bedrag: voor minimum 750 liter.

 

Voor aardgas :

- Vanaf 1 juli 2008:

  •  Voorwaarden:

             - het netto belastbaar inkomen van het gezin mag niet hoger zijn dan € 23.282;

             - niemand van het gezin mag genieten van het sociaal tarief;

 

- Vanaf 1 januari 2009:

Uitbreiding conform de forfaitaire vermindering voor huisbrandolie, verwarmingspetroleum en bulkpropaangas toegekend door de FOD Economie.

 

Voor elektriciteit:

- Vanaf 1 juli 2008:

  •  Voorwaarden:

             - het netto belastbaar inkomen van het gezin mag niet hoger zijn dan € 23.282;

             - niemand van het gezin mag genieten van het sociaal tarief;

Vanaf 1 januari 2009:

Uitbreiding conform de forfaitaire vermindering voor huisbrandolie, verwarmingspetroleum en bulkpropaangas toegekend door de FOD Economie.

9. FOLDER

Op deze link vindt u een folder bestemd voor de doelgroep met een korte en eenvoudige uitleg over de maatregel. Deze folder kan door de OCMW’s afgedrukt en verspreid worden.

U kunt de mensen ook doorverwijzen naar het gratis telefoonnummer van het Sociaal Verwarmingsfonds: 0800/90.929 en naar hun website: www.verwarmingsfonds.be.

 

1. Bevoegdheid

Principieel is het OCMW van de gewoonlijke verblijfplaats van de rechthebbende bevoegd voor de toekenning van de verwarmingstoelage (artikel 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn).

Wanneer een centrum bevoegd is op basis van de aanwijzing van een verplichte verblijfplaats, is het tevens bevoegd voor de toekenning van de verwarmingstoelage. De uitzonderingen betreffende de bevoegdheid voorzien in de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn blijven dus van toepassing.

Personen die illegaal in het land verblijven hebben geen recht op de verwarmingstoelage.

2. Aanvraag en uniek aanvraagformulier

De toekenning van een verwarmingstoelage wordt steeds voorafgegaan door een aanvraag. Het OCMW kent niet ambtshalve toe. Er is geen formalisme verbonden aan deze aanvraag. Om een schriftelijke aanvraag mogelijk te maken, dient het OCMW het verplichte uniek aanvraagformulier ter beschikking te stellen.

De aanvrager dient bij de aanvraag geïnformeerd te worden over het feit dat het OCMW bij het onderzoek van de aanvraag rechtstreeks gegevens zal opvragen bij de FOD Financiën.

Het uniek aanvraagformulier is dus verplicht voor degenen die een schriftelijk verzoek willen indienen.

 

  • De gerechtigde zelf of een lid van het huishouden van de gerechtigde kan de aanvraag indienen bij het bevoegde OCMW. Voor de toepassing van deze maatregel wordt onder huishouden (gezin) verstaan: alle personen die in dezelfde individuele woning of gezinswoning hun hoofdverblijfplaats hebben.

 

  • De aanvraag dient te gebeuren binnen een termijn van 60 dagen na de leveringsdatum van de in aanmerking komende brandstof.

Op deze termijn van 60 dagen kan slechts in één geval worden afgeweken, namelijk wanneer er sprake is van overmacht. Als vaststaat dat de overschrijding van de termijn te wijten is aan een feit onafhankelijk van de wil van de aanvrager, kan de aanvraag toch worden ontvangen. Het OCMW dient deze overmacht te attesteren.

De termijn begint de dag na de levering te lopen en eindigt 60 dagen later. Als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag.

 

3. Beslissing

Het OCMW beslist zo snel mogelijk en uiterlijk binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van de aanvraag.

De beslissing kan onder gewone omslag verstuurd worden. Uiteraard blijft de mogelijkheid behouden om aangetekend of met ontvangstbewijs te versturen.

De kennisgeving van de beslissing moet binnen de 8 dagen gebeuren.

4. Betaling

Het OCMW betaalt de verwarmingstoelage ten laatste binnen een termijn van 15 dagen na de beslissing.

De toelage wordt betaald aan de aanvrager. In het kader van de derde categorie dient de toelage rechtstreeks betaald te worden aan de brandstofleverancier indien deze nog niet betaald is geweest.

5. Inbrengen van de beslissing in het informaticaprogramma

De verwerking en de mededeling van de gegevens betreffende de toegekende verwarmingstoelagen dienen aan de hand van de applicatie via de Kruispuntbank te gebeuren. Dit programma helpt tijdens de gehele toekenningsprocedure van de toelage.

Het is ook een belangrijk instrument voor het beheer van de financiële middelen van het Sociaal Stookoliefonds en voor de verzameling van statistische gegevens.

Opdat het programma al haar taken correct zou kunnen vervullen, moet het OCMW de gegevens betreffende elke toekenning van een verwarmingstoelage binnen een termijn van 45 dagen vanaf de aanvraag naar de POD zenden.

Deze termijn is zeer belangrijk om een cumul tussen de verwarmingstoelage en de forfaitaire vermindering van de FOD Economie te vermijden. Om recht te hebben op een forfaitaire vermindering bij de FOD Economie volstaat het immers een netto belastbaar inkomen onder de € 26.000 (te indexeren) te hebben.

In het begin van het volgende jaar dienen alle informaticaprogramma’s aangepast te worden, zodat de datum van de beslissing ingegeven kan worden en zodat de dossiers onder een specifieke integratiecode kunnen worden ingegeven.

Bijgevolg dienen alle beslissingen die in het huidige jaar zijn genomen zo snel mogelijk ingegeven te worden.

Er wordt echter gevraagd geen beslissingen genomen in het volgende jaar in het programma in te geven tot de aanpassingen zijn doorgevoerd, zelfs geen beslissingen die leveringen van het vorige jaar betreffen. (Voor leveringen van het volgende jaar zal het programma automatisch blokkeren.)

Hiermee wordt vermeden dat deze beslissingen op het boekjaar van het huidige jaar worden toegerekend. Na de aanpassingen zal de datum van de beslissing ingegeven dienen te worden.

Om de dossiers verwarmingstoelagen beter te kunnen identificeren, zal ook een specifieke integratiecode worden gecreëerd. Er dient voor een volledig kalenderjaar te worden geïntegreerd. Deze nieuwe code is 40.

 

 

1. VOORSCHOTTEN EN WERKINGSKOSTEN

Aangezien de verwarmingsperiode vanaf 1 januari 2009 continu wordt, wordt het systeem van voorschotten vanaf dan vervangen door een automatische terugbetaling van de uitgaven van de vorige maand.

Om de continuïteit in de betalingen aan de OCMW’s te garanderen, zullen de voorschotten gekregen in 2008 echter behouden blijven tot de afsluiting van de rekeningen in februari 2009.

De tussenkomst in de werkingskosten zal worden overgemaakt na de afsluiting van de rekeningen en ten laatste op 30 juni.

2. AFSLUITING VAN DE REKENINGEN

2.1. Algemene regel

Alle beslissingen genomen in de periode 1 januari tot en met 31 december behoren tot eenzelfde boekjaar. Zo zal een levering gedaan in 2009 of 2010 waarvoor de beslissing genomen is in 2010 behoren tot het boekjaar 2010.

De afgesloten rekeningen dienen voor 1 maart overgemaakt te worden aan de POD Maatschappelijke Integratie. De OCMW’s zullen een overzicht krijgen van de genomen beslissingen. Eventuele correcties dienen te gebeuren voor eind april.

Vanaf deze datum vervalt het recht van het OCMW om de kosten terug te vorderen die betrekking hebben op de toelagen toegekend tijdens de verwarmingsperiode waarnaar de niet overgezonden rekeningen verwijzen.

2.2. Overgangsperiode van 1 september 2008 tot en met 31 december 2008

Voor de periode van 1 september 2008 tot en met 31 december 2008 zal dit systeem uitzonderlijk ook gelden.

De afgesloten rekeningen dienen voor 1 maart overgemaakt te worden aan de POD Maatschappelijke Integratie. De OCMW’s zullen een overzicht krijgen van de genomen beslissingen. Eventuele correcties dienen te gebeuren voor eind april.

Vanaf deze datum vervalt het recht van het OCMW om de kosten terug te vorderen die betrekking hebben op de toelagen toegekend tijdens de verwarmingsperiode waarnaar de niet overgezonden rekeningen verwijzen.

3. TOEZICHT OP DE TOEKENNING VAN DE VERWARMINGSTOELAGE

De Inspectiedienst van de POD MI kan de rechtmatigheid van de toepassing van de maatregel controleren.

Hiertoe moet het OCMW alle stukken die de aanvraag van een verwarmingstoelage betreffen in het dossier van de gerechtigde bewaren in elektronische of papieren vorm met het oog op een eventuele controle door de Inspectiedienst van de POD MI.

Indien u hier nog geen antwoord gevonden hebt op uw vraag kunt u steeds de algemene website bezoeken waar u ook een onderdeel 'FAQ' vindt: www.mi-is.be. Het spreekt voor zich dat u zich ook steeds kunt richten tot de FrontOffice via vraag@mi-is.be of 02/5088585.