Soorten van afvoering

Het overlijden van een persoon wordt automatisch ingebracht in het I.T. 001 bij de invoering van het I.T. 150 (overlijden).

Alle door de POD MI toegekende steun kan worden toegekend tot en met de dag van overlijden. De steun stopt de dag na het overlijden van betrokkene.

Zie hiervoor artikel 40 Koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

In geval van overlijden van de gerechtigde op het leefloon, worden de vervallen en niet uitgekeerde termijnen slechts uitbetaald aan de natuurlijke personen in de hierna bepaalde volgorde :

1° aan de echtgenoot met wie de gerechtigde leefde of aan de persoon met dewelke hij een feitelijk gezin in de zin van artikel 34, § 1, tweede lid  of § 4 , uitmaakte, op het ogenblik van zijn overlijden;

2° aan de kinderen met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;

3° aan iedere andere persoon met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;

4° aan de persoon die in de verplegingskosten tussenbeide is gekomen;

5° aan de persoon die de begrafeniskosten heeft betaald.

Als er wordt vastgesteld dat een persoon niet meer verblijft op het opgegeven adres en de gemeente in de onmogelijkheid blijkt om de nieuwe hoofdverblijfplaats van de betrokkene op te sporen, gelast het College van Burgemeester en Schepenen de afvoering van ambtswege uit de registers. Als bij onderzoek blijkt dat de betrokken persoon zich in het buitenland gevestigd heeft, voert het College van Burgemeester en Schepenen de betrokkene eveneens van ambtswege af.   De vermelding van de afvoering van ambtswege kan gevonden worden in de IT001.

Verwar de afvoering van ambtswege niet met andere vormen van afvoering, zoals de “afvoering – verlies van verblijfsrecht”. De afvoering met verlies van verblijfsrecht gebeurt als gevolg van een verlies van het recht op verblijf.

De afvoering van ambtswege is in het rijksregister op te merken door een schorsing van het IT 195. Deze schrapping heeft gevolgen voor de identiteitskaart die werd afgeleverd. Met “schorsing” wordt bedoeld dat de elektronische chip van de identiteitskaart wordt gedeactiveerd.

Deze afvoering van ambtswege heeft een impact op de toegekende subsidie van betrokkene (recht op leefloon, recht op maatschappelijke hulp of DMH).

Deze ambtshalve afvoering naar het buitenland verschijnt in de IT 001: gemeente van verblijf. Vanaf datum van de afvoering van ambtswege naar het buitenland, is er geen enkele subsidie meer mogelijk, aangezien betrokkene niet meer voldoet aan de voorwaarde van gewoonlijk en feitelijk verblijf op het Belgisch grondgebied (art 2. van het KB van 11/07/2002).

Deze afvoering naar het buitenland betreft twee groepen van personen:

  • De Belg:

 

Het is voor de Belg niet nodig om het vermoeden van verlaten van het grondgebied te weerleggen. Het is de bevoegdheid van het OCMW om via zijn sociaal onderzoek vast te stellen dat betrokkene wel degelijk verblijft op het Belgisch grondgebied, welke een van de voorwaarden is voor het recht op leefloon (art. 2 van het KB van 11/07/2002). Het OCMW moet betrokkene aanmoedigen zich naar de gemeente te begeven om het nodige te doen om zijn administratieve situatie in orde te brengen.

Aangezien de duur van deze administratieve regeling kan oplopen, mag de steun toegekend worden vanaf de datum dat werd vastgesteld dat betrokkene nog op het Belgisch grondgebied verbleef, deze situatie kan dus verschillen van het rijksregister in afwachting van de aanpassing hiervan.

 

  • De Vreemdeling:

Door de afvoering van ambtswege wordt er vermoed dat de betrokken vreemdeling zich niet meer bevindt op het Belgische grondgebied. Het komt toe aan de Dienst Vreemdelingenzaken om te beoordelen of de persoon nog over een verblijfsrecht beschikt of niet. De betrokken vreemdeling dient zich zo spoedig mogelijk naar de gemeente te begeven om zijn situatie opnieuw in orde brengen.
 
De betrokken vreemdeling moet aan de gemeente melden dat hij het vermoeden van het verlaten van het Belgisch grondgebied wil weerleggen.

De vreemdeling die van ambtswege is afgevoerd beschikt over een bepaalde termijn om zijn recht van terugkeer in te roepen. Er dient geen enkel bewijs hiervoor te worden aangedragen buiten een geldige verblijfstitel. De betrokken vreemdeling moet altijd over een geldige verblijfstitel beschikken en dient aan de gemeente te melden dat zij een beroep doet op het recht op terugkeer. Indien het recht op terugkeer niet kan worden toegepast, kan de betrokkene proberen het vermoeden van afwezigheid van het grondgebied te weerleggen.

De Dienst Vreemdelingenzaken zal in beide gevallen de situatie beoordelen en zich uitspreken over het verblijfsrecht van de betrokken vreemdeling. Deze beslissing zal aan de gemeente worden gecommuniceerd. Als het OCMW vast stelt dat er zich bepaalde problemen voordoet betreffende de aanvraag bij de gemeente, kan deze contact opnemen met de Dienst Vreemdelingenzaken op het volgende adres: jacques.goriya@ibz.fgov.be(link sends e-mail) of op het volgende telefoonnummer: 02/793.86.95.

Voor wat betreft de personen die ingeschreven staan in de IT 210 met code 4 ‘vreemdelingen KB van 30/10/91’: 

Personen met dergelijke code, zijn personeelsleden van ambassades en consulaten. Zij krijgen specifieke documenten voor het verblijf in België en worden vermeld in het bevolkingsregister. Het verblijfsrecht van een persoon die beschikt over een diplomatieke of consulair statuut is verbonden aan zijn arbeidscontract. Met andere woorden, zolang er een arbeidscontract bestaat, heeft de betrokkene een verblijfsrecht. Gedurende deze periode ontvangt de betrokkene een loon. Een aanvullend leefloon kan worden toegekend indien de voorwaarden voor het recht op maatschappelijke integratie zijn voldaan.

Indien de betrokkene een einde stelt aan zijn arbeidscontract of indien het arbeidscontract ten einde komt, heeft de betrokkene geen verblijfsrecht meer. Dit betekent dat de betrokkene dan ook illegaal op het grondgebied verblijft, zelfs als de Minister van buitenlandse zaken de verblijfskaart van de betrokkene niet intrekt. Het OCMW dient dus steeds goed in zijn sociaal onderzoek na te gaan of de betrokkene nog beschikt over een arbeidscontract en dus al dan niet over een verblijfsrecht beschikt..

Volgens de instructies voor het bijhouden van informatiegegevens van het rijksregister, zou de vermelding in de IT 210 worden geschrapt zodra de vreemdeling zijn ambt heeft neergelegd. Indien dus deze vermelding in het rijksregister verschijnt, is het dus zeker dat betrokkene geen arbeidscontract meer heeft.

Als de betrokkene na het neerleggen van zijn ambt in België wil blijven wonen, zal zijn verzoek behandeld worden in overeenstemming met de reglementering betreffende het verblijf en de vestiging van vreemdelingen in het Rijk. Het OCMW dient dus in zijn sociaal onderzoek eveneens na te gaan of betrokkene een andere verblijfsaanvraag heeft lopen of een ander verblijfsrecht heeft.

Bijvoorbeeld: Als de betrokkene in België een verzoek om internationale bescherming indient, moet er worden nagegaan of de betrokkene nog beschikt over een arbeidscontract of niet op het moment van de steunaanvraag.

o             Indien de betrokkene op het moment van de steunaanvraag niet meer beschikt over een arbeidscontract, beschouwen we hem als verzoeker om internationale bescherming en dus dient het OCMW na te gaan of Fedasil een code 207 heeft toegekend. Afhankelijk van deze code 207 kan het OCMW al dan niet maatschappelijke dienstverlening toekennen (eveneens via het sociaal onderzoek nagaan of de voorwaarden hiertoe zijn vervuld). 

o             Indien betrokkene op het moment van de steunaanvraag nog beschikt over een arbeidscontract, kan het OCMW een aanvulling op het leefloon betalen op het loon van de betrokkene indien de voorwaarden voor het recht op maatschappelijke integratie zijn voldaan. Van zodra er een einde wordt gesteld aan het arbeidscontract, kan de betrokkene geen recht meer openen op maatschappelijke integratie. Hierdoor is de betrokkene verzoeker om internationale bescherming en dus dient het OCMW na te gaan of Fedasil een code 207 heeft toegekend. Afhankelijk van deze code 207 kan het OCMW al dan niet maatschappelijke dienstverlening toekennen (eveneens via het sociaal onderzoek nagaan of de voorwaarden hiertoe zijn vervuld).

Het gaat hier over de hypothese waar een rijksregisternummer door de gemeente per vergissing werd toegekend. Voorbeeld:

Iemand die altijd al illegaal was, heeft per vergissing een rijksregisternummer gekregen, terwijl die persoon een bisnummer had moeten krijgen.

In de meeste gevallen, is een persoon zonder rijksregisternummer illegaal.

Volgende categorieën van personen zijn vrijgesteld van inschrijving in de bevolkingsregisters:

  1. De vreemdelingen die deel uitmaken van het diplomatieke korps of die onschendbaarheden genieten die analoog zijn met die van het diplomatieke korps.
  2. De Belgische studenten die nooit eerder ingeschreven waren in het Rijk of die het Rijk meer dan 5 jaar geleden hebben verlaten, op voorwaarde dat zij tijdelijk enkel in België verblijven om er te studeren. Op hun eigen verzoek kunnen zij echter toch worden ingeschreven in de bevolkingsregisters van de gemeente waar zij effectief verblijven.

    Dit wordt uitdrukkelijk geregeld in artikel 19 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1992).

  3. Het militair personeel van SHAPE en van de NAVO. Deze vrijstelling geldt voor de periode dat dit militair personeel in België is gevestigd in het kader van hun SHAPE- on NAVO- opdracht.

De leden van het burgerlijk personeel, alsmede de personen ten laste van de militairen en van het burgerlijk personeel, zijn daarentegen wel onderworpen aan de formaliteiten inzake vreemdelingenregistratie en dienen derhalve te worden ingeschreven in de bevolkingsregisters.

De vrijstelling van inschrijving wordt in het I.T. 001 met de algemene structuur ingebracht.

Hierbij vult men voor de plaats de bijzondere code 99995 in.

Voorbeeld :

Vrijstelling van inschrijving op 29 mei 2000 : 10 / 001 / 0 / 29052000 / 99995.

Opmerkingen :

- Deze bijzondere code kan enkel aangewend worden in een dossier waarvan de persoon niet de Belgische nationaliteit bezit.

- Bij inbreng van deze bijzondere code heeft de laatste gemeente van verblijf geen enkele toegang meet tot het dossier. De bijwerkingen dienen te worden toegezonden aan de diensten van het Rijkregister.

Door de afvoering – vrijgesteld van inschrijving wordt de aanvraag tot inschrijving stop gezet. De betrokkene heeft dan ook geen recht op maatschappelijke dienstverlening vanaf de afvoering – geen recht op inschrijving.

Er werd vastgesteld dat bepaalde gemeenten de fictieve code 99996 voor een persoon die afwezig wordt verklaard rechtstreeks invoeren in het IT001.

De afwezig verklaring is echter enkel voorzien voor de juridische procedure die hiertoe kan leiden.

Het invoeren van de beslissing houdende de verklaring van afwezigheid moet verplicht worden ingevoerd in het IT 151, en heeft tot gevolg dat het IT 001 (gemeente van verblijf) in het dossier van de afwezig verklaarde door autogeneratie automatisch wordt gewijzigd.

De rechtstreekse invoering van de verklaring van afwezigheid in het IT 001 wordt vijgevolg niet langer toegelaten.

Als dit geval zich voordoet, kan het OCMW contact opnemen met de FrontOffice via vraag@mi-is.be  of op 02/508 85 85.

Met toepassing van artikel 12, 5°, van het KB van 16 juli 1992 kan de afvoering met verlies van verblijfsrecht van vreemde onderdanen gebeuren na een beslissing genomen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die een einde stelt aan het verblijf of de vestiging of die het verlies vaststelt van het recht op of de machtiging tot verblijf of vestiging. In tegenstelling tot wat voorzien is in artikel 8, lid 2, van het KB van 16 juli 1992, gebeurt deze afvoering zonder uitdrukkelijke beslissing van het college van burgemeester en schepenen.

Op basis van de huidige wetgeving, kan de beslissing genomen worden door de dienst Vreemdelingenzaken, en iedere andere overheid die gemachtigd is om een einde te stellen aan het verblijfsrecht van vreemde onderdanen.
 
Voor wat betreft het recht op maatschappelijke integratie en/of op maatschappelijke dienstverlening moet het OCMW dus nagaan of het verblijfssituatie van de betrokkene nog een recht op steun kan openen.

Bijvoorbeeld:

1. De Unieburgers en hun familieleden evenals de familieleden van een Belg (We verwijzen naar de rubriek ‘Europeanen’ voor meer gedetailleerde informatie):

 

Een afvoering met verlies van verblijfsrecht geschiedt op grond van de beslissing die een einde stelt aan het verblijf. Concreet betekent dit dus dat de afvoering – verlies van verblijfsrecht zal plaats vinden wanneer er een bijlage 20 of bijlage 21 wordt afgeleverd.

De gevolgen van deze afvoering met verlies van verblijfsrecht verschilt in functie van de hoedanigheid van de betrokkene:

  • De Unieburger die in de hoedanigheid van werknemer of zelfstandige op ons grondgebied verblijft en zijn familieleden

De betrokkene die in het bezit is van een bijlage 20, bijlage 21 of bijlage 35 heeft geen recht op maatschappelijke integratie.

De betrokkene die in het bezit is van een bijlage 20, bijlage 21, bijlage 35 heeft recht op maatschappelijke dienstverlening.

Na het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, kan de betrokkene enkel nog aanspraak maken op het recht op dringend medische hulp.

  • De Unieburger die in de hoedanigheid van werkzoekende op ons grondgebied verblijft en zijn familieleden

De betrokkene die in het bezit is van een bijlage 20, een bijlage 21 of bijlage 35 heeft geen recht op maatschappelijke integratie.

De betrokkene die in het bezit is van een bijlage 20, een bijlage 21 of een bijlage 35 heeft geen recht heeft op maatschappelijke dienstverlening.

Betrokkene kan enkel aanspraak maken op het recht op dringende medische hulp.

  • De Unieburger die in een andere hoedanigheid op ons grondgebied verblijft (houder van voldoende bestaansmiddelen of student) en zijn familieleden evenals de familieleden van een Belg

De betrokkene die in het bezit is van een bijlage 20, een bijlage 21 of bijlage 35 heeft geen recht op maatschappelijke integratie.

De betrokkene die in het bezit is van een bijlage 20, een bijlage 21, of een bijlage 35 heeft recht op maatschappelijke dienstverlening indien er een periode van drie maanden verstreken is sinds de afgifte van de bijlage 19 of de bijlage 19ter. Indien er geen bijlage 19 of bijlage 19ter werd afgeleverd, begint de termijn van drie maanden te lopen vanaf de datum van de aanvang van de geldigheid van de E-kaart of F-kaart.

Na het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, kan de betrokkene enkel nog aanspraak maken op het recht op dringend medische hulp.

AANDACHT: Het OCMW moet in het kader van zijn sociaal onderzoek geregeld nagaan of het beroep voor de RVV nog steeds hangende is Wanneer het OCMW kennis heeft van het feit dat het beroep bij de RVV gesloten is door een negatieve beslissing voor de betrokkene, kan het hem geen recht op maatschappelijke dienstverlening meer toekennen. De bijlage 35 heeft immers geen grondslag meer.

2. Intrekking of opheffing van het statuut van erkende vluchteling of subsidiair beschermde

Het CGVS kan op ieder moment de geldigheid van het statuut van erkend vluchteling of subsidiair beschermde, dat werd toegekend, opnieuw onderzoeken wanneer nieuwe feiten of elementen het rechtvaardigen.

Het CGVS kan het statuut van erkend vluchteling of subsidiair beschermde opheffen of intrekken (bv. wanneer de betrokkene uitgesloten had moeten worden of in geval van fraude).

Zodra de beslissing tot intrekking of opheffing is genomen, kan de betrokkene een schorsend beroep bij de RVV indienen.

Wanneer het statuut van erkend vluchteling of subsidiair beschermde wordt ingetrokken of opgeheven door het CGVS kan de minister of zijn gemachtigde een einde stellen aan het verblijfsrecht van de vreemdeling.   
Verschillende hypothesen kunnen worden voorzien:

  • Tijdens de beroepstermijn bij de RVV tegen de beslissing tot intrekking of opheffing van het vluchtelingenstatuut of het subsidiaire beschermingsstatuut wordt het vluchtelingenstatuut of het subsidiaire beschermingsstatuut nog niet definitief ingetrokken of opgeheven. De betrokkene dient nog beschouwd te worden als erkend vluchteling of subsidiair beschermde.
  • Indien de beroepstermijn bij de RVV tegen de beslissing tot intrekking of opheffing van het vluchtelingenstatuut of het subsidiaire beschermingsstatuut is verstreken, kunnen meerdere hypothesen worden voorzien:

             o             geen enkel beroep wordt ingediend bij de RVV. De beslissing van het CGVS wordt dus definitief.

                          - de A of B-kaart wordt niet ingetrokken door de DVZ, de persoon kan aanspraak maken op het recht op maatschappelijke dienstverlening.

                          - de A of B-kaart wordt ingetrokken door de DVZ, de persoon kan aanspraak maken op het recht op dringende medische hulp.

             o             een beroep wordt ingediend bij de RVV. Deze procedure is thans nog aan de gang. Dit betekent dat het statuut van de betrokkene nog niet definitief werd ingetrokken of opgeheven. De betrokkene dient nog te worden beschouwd als erkend vluchteling of subsidiair beschermde.

  • Het vluchtelingenstatuut of subsidiaire beschermingsstatuut wordt ingetrokken of opgeheven door de RVV. De beslissing van het CGVS wordt dus door de RVV bevestigd.  

                          - de A of B-kaart wordt niet ingetrokken door de DVZ, de persoon kan aanspraak maken op het recht op  maatschappelijke dienstverlening.

                          - de A of B-kaart wordt ingetrokken door de DVZ, de persoon kan aanspraak maken op het recht op dringende medische hulp

  • Het statuut van erkend vluchteling of van subsidiair beschermde wordt niet ingetrokken of opgeheven door de RVV. De beslissing van het CGVS is dus niet definitief. De betrokkene dient nog te worden beschouwd als erkend vluchteling of subsidiair beschermde.

Sinds 1 juni 2008 worden burgers van de Europese Unie die bij de gemeente een verklaring van inschrijving (“bijlage 19”) aanvragen, alsook hun familieleden die eveneens de hoedanigheid hebben van onderdaan van de Europese Unie, door de gemeente onmiddellijk ingeschreven in het wachtregister op het aangegeven adres, dit in afwachting van de uitvoering van de woonstcontrole.

De EU-burger wordt met de informatiegegevens die nodig zijn voor de collecte ingeschreven in het wachtregister IT210/6, op datum van de bijlage 19.

Zodra uit de woonstcontrole blijkt dat betrokkenen effectief op het aangegeven adres verblijven, worden zij op datum van het verslag van de wijkpolitie ingeschreven in het vreemdelingenregister.

Indien echter uit de woonstcontrole zou blijken dat het aangegeven adres dat is opgenomen in het wachtregister niet strookt met de realiteit, dienen de betrokken EU-burgers van ambtswege te worden afgevoerd uit het wachtregister op datum van het verslag van de wijkpolitie.

Deze afvoering gebeurt direct (d.w.z. zonder tussenkomst van het College van Burgemeester en Schepenen) en na vaststelling dat geen ander hoofdverblijf van betrokkene op het Belgisch grondgebied is gekend.

Voor deze gevallen is een specifieke code voorzien : code 99998 (Afvoering – geen recht op inschrijving).

Door de afvoering – geen recht op inschrijving wordt de aanvraag tot inschrijving stop gezet. De betrokkene heeft dan ook geen recht op maatschappelijke dienstverlening vanaf de afvoering – geen recht op inschrijving.